Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

Rate this item
(2 stemmen)

De wet zegt het zo mooi: “..Indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan de kantonrechter, ….” (art. 431 BW). Een relatief recente discussie uit 2004 omtrent het kiesrecht bij onder curatele gestelden ontlokte de destijds minister van binnenlandse zaken Remkes de, enigszins geparafraseerde, uitspraak dat  “…het streven erop is gericht, dat personen met een [……] beperking zoveel mogelijk doen wat ze in redelijkheid kunnen….” Curatele, bewind en mentorschap vallen onder dezelfde categorie wetgeving die beoogt de “personae miserabiles” te beschermen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat bij de uitvoering van het beschermingsbewind niet hetzelfde uitgangspunt genomen dient te worden als voor curatele, namelijk zoveel mogelijk (zelf) doen wat in redelijkheid kan. Wat dat dan in zijn algemeenheid voor werkzaamheden zijn verwoordde het LOK (Landelijk overleg Kantonrechters, tegenwoordig LOVCK) in de door haar opgestelde “Aanbevelingen meerderjarigenbewind”. Zij stelden daarin een lijst op, in de vorm van aanbevelingen, van enerzijds intake-werkzaamheden en anderzijds werkzaamheden tijdens bewind. Beide categorieën werden, ieder voor zich, daarnaast opgedeeld in gewone en bijzondere werkzaamheden. Daarbij is de, historisch wel te verklaren maar niettemin onfortuinlijke, woordkeuze in de titel van het woord “aanbeveling” overigens enigszins rekkelijk gebruikt. In de wet opgenomen taken en taakomschrijvingen, die feitelijk geen “aanbeveling” zijn maar een wettelijke taak, staan onbenoemd als zodanig, tussen de lijsten van werkzaamheden die zijn opgekomen uit het overleg binnen het LOK, welke werkzaamheden vanzelfsprekend niet die wetmatige status hebben. In de praktijk ontstaan hierdoor nog wel eens discussies tussen bewindvoerders en rechthebbenden (of vooral hun maatschappelijk begeleiders) over de uit te voeren taken van de bewindvoerder voor wat betreft welke taken “moeten”, welke “kunnen” en welke “mogen” worden uitgevoerd.