Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

maandag 27 februari 2012 12:14

Onderzoeken

Geschreven door  I.P. van Rossen
Rate this item
(0 stemmen)

 

Minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuurt op 27 februari 2012 de Eerste en Tweede Kamer, mede namens staatssecretaris De Krom, een bundel rapporten van recent afgerond onderzoek. De regering laat daarmee zien dat op de ingeslagen wegen uit vorige kabinetten, waarin door grondige en gedegen onderzoek beleidsvoornemens worden gepland en onderbouwd, wordt voortgegaan. Voor de schuldhulpverlening zijn in deze bundel een drietal direct relevante onderzoeken opgenomen, te weten “Tijdelijke middelen schuldhulpverlening 2009-2011”, “Kwaliteitsverbetering schuldhulpverlening” en de “Monitor betalingsachterstanden 2011”. In een begeleidend schrijven geeft de minister een beleidsreactie per onderzoek  waarin dus ook deze onderzoeken de revue passeren.

 

Tijdelijke middelen schuldhulpverlening 2009-2011
Dit rapport evalueert de extra middelen van 130 miljoen die in 2009 door het vorige kabinet Balkenende ter beschikking was gesteld om de destijds aan de gang zijnde en voorziene stijging van de schuldhulpvraag te kunnen opvangen. De belangrijkste conclusies van het onderzoek zijn dat, ondanks een toenemende vraag van de schuldhulpverlening, de wachttijden niet zijn gestegen, dat investeringen vooral hebben plaatsgevonden in kwaliteit van de schuldhulpverlening en dat de gemeenten verwachten dat deze verbeteringen duurzaam zullen blijken te zijn. Daarnaast is een belangrijk deel van het geld besteed aan informatie en ondersteuning in de herkenning van schulden. De minister signaleert wel dat nog niet alle gemeenten aan de gang zijn gegaan voor verbetering van kwaliteit en effectiviteit van de schuldhulpverlening terwijl dit voor invoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wel van belang is.


Kwaliteitsverbetering schuldhulpverlening
Dit onderzoek betreft een evaluatie van de projecten die zijn voortgekomen uit de motie Ortega-Martijn en het amendement Spekman. Dat hiermee enige overlap was met het onderzoek “Tijdelijke middelen schuldhulpverlening” bleek op grond van de onderzoeksvraag geen bezwaar aangezien het eerste onderzoek zich richtte op de besteding en dit onderzoek zich richtte op het resultaat van de projecten.
Blijkens de evaluatie van de resultaten bleek dat de projecten zich vooral hebben gericht op de voorkant van de schuldhulpverlening zoals thuisadministratie, vroegsignalering, ondersteuning en doorverwijzen. Het belang van samenwerking en kennis van elkaars activiteiten tussen partijen was een algemeen gedragen conclusie. Het rapport doet een aantal aanbevelingen over opzet en uitvoering en over het belang van vrijwilligerswerk. De toegevoegde waarde voor gemeenten, zelfs als soms de kosten voor de baat gaan, was onmiskenbaar.

Monitor betalingsachterstanden 2011
De monitor betalingsachterstanden 2011 laat zien dat in 2011 alle gemeten indicatoren een verslechtering laten zien ten opzichte van 2010 (Tabel 1, pagina 11). De belangrijkste indicatoren waarop de monitor is uitgevoerd betreffen achterstallige rekeningen, kredietverschaffing en leningen, afbetalingsregelingen, regelmatig of vaak rood staan en creditcard-betalingen. Op al deze gebieden heeft het jaar 2011 een verslechtering te zien gegeven. De onderzoekers voegen aan hun conclusies eveneens toe dat betalingsachterstanden steeds meer zijn verdeeld over de gehele samenleving en steeds minder het domein van specifieke groepen huishoudens. Mensen met een hoger inkomen hebben in 2011 vaker een doorlopende krediet, vaker roodstand, vaker creditcard schulden en omvangrijker schulden.
Weliswaar is deze monitor niet in staat te laten zien bij wie precies de problematische schuldsituaties zich zullen gaan ontwikkelen, de monitor laat wel zien dát zich problematische schuldsituatie zullen gaan ontwikkelen. Het onderzoek “Huishoudens in de rode cijfers; Omvang en achtergronden van huishoudens met (een risico op) problematische schulden” zal op dat verband dieper ingaan.


Discussie en conclusie
Het is goed dat de overheid zoveel onderzoek doet naar de besteding en effecten van (geld-)middelen op het gebied van schuldhulpverlening. De noodzaak voor de inzet van deze middelen en het onderzoek daarvan is onomstreden, de evaluaties van de bestedingen zijn gedegen en tonen een gedetailleerde inzet van de middelen en de effecten. Naast de onderzoekers zelf is het ook aan het werkveld om een kritische blik op de resultaten te werpen. Eén van die kritische reacties zou moeten zijn dat de hoeveelheid geld die de overheid stopt in het uitvoerend beleid, de werkprocessen en (gelukkig) zelfs het vrijwilligerswerk in toenemend schril contrast staat met het gebrek aan beschikbaarstelling van gelden voor gedegen onderzoek naar wat schuldhulpverlening (of schuldsanering, wat mijns inziens een beter begrip is dat de lading dekt) nu feitelijk ís. Daarnaast is het opvallend dat de minister in zijn beleidsreactie op de onderzoeken achterwege laat dat een belangrijk deel van de extra gelden zijn ingezet op een wijze die, ondanks de tegengestelde hoop van de gemeenten, niet per se tot een duurzame effectiviteit van de schuldhulpverlening leidt en tot een bestendige kwaliteit. In het onderzoek “Tijdelijke middelen schuldhulpverlening 2009-2011” (pag. 20, paragraaf 3.2.3) staat een zinsnede die weinig hoop op die gedachte rechtvaardigt: “...Samengevat zijn de extra middelen zowel in 2010 als in 2011, relatief het vaakst gebruikt voor de inhuur van (tijdelijk) personeel voor de aktiviteit intake/aanmelding/advies, vermoedelijk om de wachttijden te beperken...”. De conclusie bij deze zinsnede dringt zich op dat deze besteding van gelden minder duurzaam is dan wellicht gehoopt. Dat kan voor het werkveld van de schuldhulpverlening niet anders dan als zorgwekkend gezien worden.

 

Last modified on maandag 27 februari 2012 14:16

Leave a comment