Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

vrijdag 03 juni 2016 09:30

(Geen) ontslag Wsnp-bewindvoerder

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)

Een verzoek ex 319 Faillissementswet tot ontslag van de bewindvoerder in de schuldsanering van A werd in deze zaak afgewezen. De Rechtbank in Maastricht besteedde aandacht aan een advies van de behandelend rechter-commissaris en aan de inhoud van de (zakelijke) relatie tussen bewindvoerder en schuldenaar. De stellingen van de saniet waren onvoldoende onderbouwd. Anderzijds was de relatie kennelijk niet zo verstoord dat ook de bewindvoerder zelf het vertrouwen in een voortzetting verloren had en de voorkeur gaf aan een opvolgend bewindvoerder. Een meer algemene slotoverweging is dat bij onvrede over de bewindvoerder de saniet eerst de gang naar de rechter-commissaris maken moet, alvorens een 319-Fw verzoek te doen. En dan is er ook nog een klachtenregeling van de Raad voor Rechtsbijstand…

 

Wat was de klacht ?
Bij vonnis van 22 juli 2014 was op A de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, met benoeming van een rechter-commissaris en aanstelling van een bewindvoerder B. Het verzoekschrift van A strekt tot ontslag van B als bewindvoerder. Als onderbouwing voor het verzoek wordt aangevoerd dat verzoeker zich niet kan vinden in de ingangsdatum van de boedelbijdrage, dat het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB) niet correct is vastgesteld en dat de bewindvoerder nalaat dit bedrag aan te passen ondanks dat zij hierover correct is geïnformeerd door verzoeker. Daarnaast stelt A dat hij het vertrouwen in de bewindvoerder, mede door het gebrek aan communicatie, is verloren. Er is een advies van de rechter-commissaris ontvangen op 14 januari 2016 en een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016. Ter zitting zijn verschenen de verzoeker zelf, bijgestaan door zijn raadsman, en de bewindvoerder in persoon.
De bewindvoerder stelt dat zij haar taak op een correcte wijze uitvoert en dat er geen aanleiding is voor de aanstelling van een andere bewindvoerder. Verzoeker heeft weliswaar kenbaar gemaakt dat er dingen gewijzigd zijn in zijn inkomen en huur, maar laat vervolgens na dit correct aan te tonen. De R-C schrijft dat zij geen enkele reden heeft om aan te nemen dat de bewindvoerder haar taken niet op een correcte wijze heeft uitgevoerd. De boedelbijdrage is verschuldigd per datum uitspraak en het is aan verzoeker om aan te tonen welke inkomsten hij heeft en per wanneer en waarom hij bepaalde inkomsten niet meer zou hebben.

Wat was de beslissing ?
De rechtbank is uit het gestelde, noch uit de overgelegde stukken geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit volgt dat B zich bij haar taakuitoefening niet als een redelijk en bekwaam handelend bewindvoerder, binnen de wettelijke kaders van haar taakstelling, heeft gedragen. De bewindvoerder heeft als primaire taak om met toepassing van de specifieke regelgeving omtrent de naleving van de verplichtingen voor verzoeker uit de schuldsaneringsregeling, zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Er is slechts sprake van een zakelijke relatie die geen enkele zorgplicht, anders dan bij wet voorgeschreven, omvat. Dit betekent dat de communicatie zich ook enkel tot de daaronder vallende zakelijke elementen beperkt. Uit hetgeen is overgelegd blijkt niet dat de bewindvoerder (marginaal getoetst) anders dan in dit kader gebruikelijk communiceert.
De bewindvoerder behartigt in beginsel de belangen van de schuldeisers in evenwicht met het bij wet omschreven belang van de schuldenaar, waaronder toepassing van art. 295 Fw. Uit het over en weer gestelde blijkt niet dat de bewindvoerder fouten begaan heeft bij de berekening van het VTLB: zij heeft, onbetwist gelaten, de berekening volgens de meest recente VTLB-calculator (2015) uitgevoerd, welke berekening door de rechter-commissaris expliciet wordt onderschreven. Evenmin is weersproken dat de bewindvoerder, anders dan verzoeker stelt, bij haar (meest recente) berekening wél rekening heeft gehouden met het weggevallen inkomsten uit hoofde van het geëindigde vrijwilligerswerk.

Tenslotte: het klachtenstelsel
Op grond van deze overwegingen wordt het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder als niet of onvoldoende gegrond en gemotiveerd afgewezen. De rechtbank wijst in dit verband nog op het volgende. Hoewel art. 319 Fw voor een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder op zich openstaat, is de rechtbank van opvatting dat bij klachten over de (gedragingen van) de bewindvoerder op de voet van artikel 314 Fw de rechter-commissaris de eerst aangewezene is om zich tot te wenden en de klacht(en) kenbaar te maken, alsook om die te doen beoordelen. De rechtbank zal hierbij het klachtrecht van artikel 317 Fw op het oog hebben gehad. De rechter-commissaris is immers belast – aldus de tekst van de beschikking – met het toezicht op de wijze waarop de bewindvoerder zijn of haar wettelijke taken verricht, en is beter en actueler in de zaak ingevoerd dan de rekestenkamer van de rechtbank. Mocht dat niet tot een bevredigende oplossing of beschikking leiden, dan biedt art. 315 Fw de mogelijkheid de rechtbank te benaderen met een ontslagverzoek. Omdat hier mogelijke verwarring op de loer ligt zij nog even herinnerd aan het “tweesporen-stelsel”: Klagen over een bewindvoerder in de schuldsanering kan sinds eind 2013 langs twee lijnen: artikel 317 Faillissementswet biedt de klassieke route via de rechter-commissaris voorzover het betrekking heeft op de inhoudelijke behandeling van een schuldsaneringsprocedure. Daarnaast bestaat ook de klachtenregeling van de Raad voor Rechtsbijstand (Stc. 2013, 6761 en 29038) als het gaat om bejegeningsklachten en andere klachten die te herleiden zijn tot een gedraging die in strijd is met de Gedragscode Bewindvoering Wsnp (Stc. 2013, 6754).

Bron: Rechtbank Limburg zittingsplaats Maastricht, 12 februari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:1159

Last modified on vrijdag 03 juni 2016 10:00

Leave a comment