Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

dinsdag 15 december 2015 09:05

De duur van het beschermingsbewind

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)

Geen automatische doorloop tot Sint-Juttemis

 

ECLI:NL:RBMNE:2015:7534
Rechtbank Midden-Nederland 21 oktober 2015

Een wettelijke schuldsanering heeft een afgebakende duur van in beginsel drie jaren. Maar hoe zit dat eigenlijk met een beschermingsbewind ? Waar is daar de uitgang ? Is het een “Hotel California”, waarvan The Eagles ooit zongen: “You can check out any time you like – but you can never leave”? Dat een beschermingsbewind niet oneindig behoort voort te duren is bekend. De wet geeft hier echter geen eenduidig richtsnoer, en de duur is dus sterk afhankelijk van de toestand en de wensen van de betrokkene zelf. Toch loopt een beschermingsbewind niet automatisch door tot Sint-Juttemis.

Een recent vonnis past goed in het nieuwe wettelijke systeem sinds 1 januari 2014. De onderbewindgestelde X had in dat geval een verzoek gedaan tot opheffing van zijn beschermingsbewind. Ondanks dat er nog schulden zijn, wijst de kantonrechter het verzoek toe. Reden hiervoor is de progressie van de rechthebbende (onderbewindgestelde) tijdens de afgelopen bewindperiode en het feit dat de rechthebbende een netwerk aan personen heeft die hem kunnen helpen ook in financieel opzicht.

Wat ging eraan vooraf ?
Het verzoek van de rechthebbende strekt tot opheffing van het door de kantonrechter te Utrecht op 18 december 2013 ingestelde bewind over de goederen van verzoeker. Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 oktober 2015. Verschenen zijn de verzoeker c.q. rechthebbende, zijn beschermingsbewindvoerder, en de persoonlijk begeleider van rechthebbende bij Vitras.

Feiten en omstandigheden
Verzoeker en zijn persoonlijke begeleider achten voortzetting van het bewind niet nodig. Verzoeker heeft sinds hij onder bewind is gekomen grote stappen gezet, waardoor zijn geestelijk welzijn erg vooruit is gegaan. De persoonlijk begeleider van rechthebbende kan hem in ieder geval tot het eind van dit jaar helpen met zijn financiën. Hij heeft per week vier uur tot zijn beschikking om rechthebbende te ondersteunen. De persoonlijk begeleider verwacht dat daarvan na 1 januari 2016 nog twee uur over zal zijn, zodat de ondersteuning van rechthebbende ook dan nog enige tijd zal kunnen worden voortgezet. De persoonlijke begeleider heeft ter zitting aangegeven dat hij er vertrouwen in heeft dat rechthebbende het voortaan zelfstandig kan. Indien verzoeker hulp nodig heeft, kan hij naast zijn persoonlijk begeleider een heel netwerk van personen benaderen. Die hebben toegezegd hem te zullen ondersteunen, zo nodig ook financieel. De schulden van verzoeker zijn ontstaan toen het heel slecht met hem ging. Die periode is nu gelukkig helemaal voorbij.

Opinie bewindvoerder
De beschermingsbewindvoerder heeft bevestigd dat het met verzoeker nu veel beter gaat dan bij de aanvang van het bewind. Verzoeker heeft nog steeds schulden waarvoor een minnelijk akkoord loopt. Het zal nog ongeveer twee jaar duren voordat dit is afgerond. Het is voor de bewindvoerder moeilijk in te schatten of verzoeker onder deze omstandigheden zelf weer de (volledige) verantwoordelijkheid kan dragen voor zijn financiën. De bewindvoerder heeft als tussenoplossing aangegeven dat het verzoek van verzoeker enige tijd wordt aangehouden, zodat verzoeker met bijvoorbeeld maandgeld in plaats van weekgeld kan laten zien dat hij in staat is zonder bewind verder te kunnen.

Beoordeling Kantonrechter
De Kantonrechter komt tot de volgende beoordeling van het verzoek. Voor opheffing van bewind is in geval van schulden in beginsel voorwaarde dat een (minnelijke) schuldsanering ook daadwerkelijk is afgerond. Een onderbewindgestelde heeft er groot belang bij dat die minnelijke schuldsanering kan worden afgesloten met een schone lei. Opheffing van het bewind tijdens de schuldsanering levert een substantieel extra risico op voor de goede afloop, alleen al door de overgang van rekeningen en automatische betalingen, instanties die moeten meewerken etc.
In dit geval is verzoeker in de schulden gekomen door een problematiek die kennelijk nu niet meer bestaat. De persoonlijk begeleider van verzoeker bevestigt gemotiveerd dat verzoeker het weer zelf zou kunnen en dat verzoeker daarbij ook hulp heeft. De bewindvoerder bevestigt dat het nu veel beter met verzoeker lijkt te gaan dan bij aanvang van het bewind.
Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het bewind moet worden opgeheven, ondanks de nog bestaande schulden. Er is voldoende onderbouwd dat deze bescherming van verzoeker nu niet meer nodig is. De kantonrechter zal het bewind op korte termijn opheffen, zodat verzoeker in de overgangsperiode in ieder geval nog ondersteuning heeft van zijn persoonlijk begeleider.

Stabilisatie en duur
Het lijkt erop dat dit bewind in de periode van bijna twee jaar dat de bewindvoerder met de zaak bezig is geweest inderdaad de stabilisatie gebracht heeft waarop wordt ingezet met een beschermingsbewind. Het vonnis van de Utrechtse Kantonrechter past ook goed in het wettelijk stelsel zoals dat nu alweer twee jaar geldt (Staatsblad 2013, 414). Sint-Juttemis is als einddatum een te onbepaalde termijn en dus ook als uitgangspunt verlaten. Want in de huidige versie van Boek 1 BW is het principe van proportionaliteit en de afbouwgedachte veel duidelijker dan voorheen verwoord. Twee wettelijke bepalingen vragen hierbij de aandacht:
Artikel 446a van Boek 1 BW bepaalt dat de bewindvoerder telkens na verloop van vijf jaren, of zoveel eerder als de Kantonrechter bepaalt, een verslag uitbrengt aan de kantonrechter over het verloop van het bewind. De bewindvoerder moet zich daarin met name uitlaten over de vraag of het bewind dient voort te duren dan wel of een minder ver of een verder strekkende voorziening aangewezen is. Feiten die van betekenis zijn voor het bewind en het al dan niet voortduren daarvan moet de bewindvoerder terstond aan de Kantonrechter meedelen.
Ook nieuw is artikel 449 lid 2 Boek 1 BW, waarin bepaald is dat de Kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind kan opheffen. Dit kan zowel op verzoek van de bewindvoerder of de rechthebbende als van diegene die ex artikel 432 leden 1 en 2 gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken (bijvoorbeeld een familielid of een hulpverlenende instelling), en ook ambtshalve.

Last modified on dinsdag 15 december 2015 10:09

Leave a comment