Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

dinsdag 15 december 2015 09:01

Ontneming van schone lei

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(1 Stem)

fraudebestrijding in schuldsanering ook op initiatief van de rechter-commissaris

 

Hoge Raad 24 april 2015 NJ 2015/220, ECLI:NL:HR:2015:1136
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:191

Ook de rechter-commissaris is (naast de bewindvoerder) een ‘belanghebbende’ in de zin van artikel 358a Faillissementswet. Dat betekent dat ook de R-C bevoegd is om het ontnemingsverzoek ten aanzien van de schone lei te doen. Dit past volgens de Hoge Raad in het stelsel van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en sluit aan bij de taken en bevoegdheden die de rechter-commissaris als toezichthouder in titel III van de Faillissementswet heeft. Een ontneming van de schone lei : Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Een moralistisch en wellicht wat naïef gezegde dat in de praktijk (helaas) lang niet altijd opgaat. Maar dat wel kort de gedachte verwoordt achter artikel 358a Fw. Het recente arrest van de Hoge Raad geeft hierover meer duidelijkheid.
 


Feiten en beslissing Rechtbank en Hof.
Op A is bij vonnis van 22 maart 2010 de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van 6 maart 2013 heeft de rechtbank Oost-Nederland vastgesteld dat A niet is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen en is hem op de voet van art. 358 lid 1 Fw de schone lei verleend. Op 5 augustus 2013 is de slotuitdelingslijst gedeponeerd. Tegen de gedeponeerde uitdelingslijst is geen verzet gedaan, zodat deze met ingang van 16 augustus 2013 verbindend is geworden en de toepassing van de schuldsanering van rechtswege is geëindigd. Na de beëindiging van de schuldsanering heeft de voormalig (waarnemend) rechter-commissaris aan de rechtbank een voordracht gedaan om te bepalen dat art. 358 lid 1 Fw verder geen toepassing vindt en dat A de schone lei wordt ontnomen. Daartoe heeft de rechter-commissaris aangevoerd dat A gedurende de periode waarin de schuldsanering op hem van toepassing was, heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen. De rechtbank heeft bepaald dat art. 358 lid 1 Fw verder geen toepassing vindt en dat A de schone lei wordt ontnomen. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft dit vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
 
Het cassatieberoep
In cassatie klaagt A dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht, dan wel ten onrechte (impliciet) positief heeft beantwoord, de van openbare orde zijnde vraag of de rechter-commissaris belanghebbende is in de zin van art. 358a Fw en aldus ontvankelijk is in de voordracht waarmee hij de onderhavige procedure heeft ingeleid. Advocaat-Generaal Timmerman adviseert om het cassatieberoep te verwerpen en verwoordt het in paragraaf 2.5 van zijn conclusie aldus:
“De taak van de rechter-commissaris in het kader van een schuldsaneringsregeling is ex art. 314 Fw het houden van toezicht op de bewindvoerder. De bewindvoerder is ex art. 316 Fw belast met het toezicht op de naleving door de schuldenaar van diens verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien en met het beheer en de vereffening van de boedel. De belangen van de schuldeisers worden dan ook direct door de bewindvoerder en (anders dan het middel betoogt) indirect door de rechter-commissaris behartigd.”
De Hoge Raad volgt zijn Advocaat-Generaal.

Beslissing van de Hoge Raad
Uitgangspunt in het stelsel van de schuldsaneringsregeling is volgens de Hoge Raad dat schuldeisers en andere belanghebbenden erop mogen vertrouwen dat de schuldenaar gedurende de periode waarin op hem de schuldsanering van toepassing is, de voor hem uit titel III Faillissementswet voortvloeiende verplichtingen naleeft. Het toezicht op die naleving wordt uitgeoefend door de bewindvoerder en de rechter-commissaris. Voorts is uitgangspunt – zo doceert ons hoogste rechtscollege verder –  dat, indien blijkt dat de schuldenaar gedurende de periode waarin op hem de schuldsanering van toepassing is of is geweest, tracht of heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen, de toepassing van de schuldsanering wordt beëindigd, dan wel de inmiddels aan de schuldenaar verleende schone lei hem alsnog wordt ontnomen. Indien gedurende de schuldsanering blijkt dat de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen, dan is de rechter-commissaris ingevolge art. 350 lid 1 en lid 3, aanhef en onder e, Fw bevoegd om, zo nodig ambtshalve, aan de rechtbank een voordracht te doen om de toepassing van de schuldsanering op die grond te beëindigen. Voorts is bepaald dat, indien pas na de beëindiging van de schuldsanering waarbij aan de schuldenaar de schone lei is verleend, blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de schuldsanering omdat de schuldenaar heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen, de rechter ingevolge art. 358a lid 1 Fw op verzoek van iedere belanghebbende kan bepalen dat art. 358 Fw verder geen toepassing vindt, met als gevolg dat de schuldenaar de schone lei alsnog wordt ontnomen.

Uit het arrest van de Hoge Raad is de volgende kernoverweging nuttig om letterlijk te citeren:
“Het past in het hiervoor beschreven wettelijk stelsel en strookt met de aan de rechter-commissaris opgedragen taken en bevoegdheden om aan te nemen dat de (voormalig) rechter-commissaris die na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling en de verlening van de schone lei constateert dat de schuldenaar gedurende de periode waarin de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen als bedoeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder e, Fw, de bevoegdheid toekomt om, zo nodig ambtshalve, een voordracht aan de rechtbank te doen om, op de voet van art. 358a lid 1 Fw, op de in art. 350 lid 3, aanhef en onder e, Fw genoemde grond de schuldenaar de schone lei te ontnemen”.

Een schone lei is geen rustig bezit
Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Een moralistisch en wellicht wat naief gezegde dat in de praktijk (helaas) lang niet altijd opgaat. Maar dat wel kort de gedachte verwoordt achter artikel 358a Fw. Het cruciale rechtsgevolg van artikel 358 Faillissementswet (“de schone lei”) brengt met zich mee dat – althans voor een debiteur die zich drie jaar lang aan alle verplichtingen weet te houden - uiteindelijk de restantvorderingen omgezet worden in natuurlijke, dat wil zeggen rechtens niet afdwingbare verbintenissen. Dan bestaat perspectief op een schuldenvrije toekomst. Maar een rustig bezit is dit niet voor iedereen. Want via artikel 358a Fw – een ontneming van de schone lei – kan het zwakke karakter van een dergelijke natuurlijke verbintenis wederom aangroeien tot een volwaardige, wel rechtens afdwingbare verbintenis. Het criterium waaraan het ontnemingsverzoek moet worden getoetst is of zich “nieuwe” in de zin van “onbekend gebleven” feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor (tussentijdse) beëindiging van de schuldsanering op grond van gebleken pogingen van de schuldenaar om zijn schuldeisers te benadelen (artikel 350 lid 3 sub e Fw).

Twee reminders
Let op: het is een “kan”-bepaling: het is dus aan de rechter om te beslissen of het geconstateerde misbruik voldoende zwaar weegt om inderdaad het felbegeerde rechtsgevolg van de schone lei weer te ontnemen. Het verzwijgen van een loterijprijs ad € 150,- is natuurlijk op zichzelf stout, maar zal onvoldoende aanleiding zijn om de gehele schuldsaneringsprocedure weer terug te draaien en alle schulden weer te laten herleven. Ook nog goed om even in herinnering te brengen is dat als de rechter het ontnemingsverzoek toewijst, de regel “dat artikel 358, eerste lid, verder buiten toepassing blijft” in het algemeen geldt. De gehele schone lei wordt teruggedraaid. Dus niet uitsluitend voor degene die het ontnemingsverzoek heeft ingediend, maar de rechterlijke uitspraak heeft betekenis voor iedere schuldeiser van vorderingen die als natuurlijke verbintenissen zijn overgebleven. Daarom is in het vijfde lid van artikel 358a Fw ook voorzien in een publicatievoorschrift. (zie ook de parlementaire toelichting op de Eerste Nota van Wijziging, TK 1993-1994, 22 969, nr. 7, p. 4).

Afdwingbaarheid vorderingen herleeft
Indien na de beëindiging van de schuldsanering-met-schone-lei blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor een tussentijdse beëindiging, dan kan de rechter – op verzoek van iedere belanghebbende – bepalen dat de afdwingbaarheid van de vorderingen herleeft. Bij achteraf gebleken misbruik vond de wetgever dat wenselijk voor het maatschappelijk draagvlak van de regeling. Dit is ook de reden waarom de wetgever bij de schone lei verstrekking van artikel 358 lid 1 Fw niet gewoonweg heeft gerept van “kwijtschelding” in plaats van het “omzetten van de restantvorderingen in natuurlijke verbintenissen”. Want een kwijtschelding zou dermate definitief zijn dat de zaak indien nodig niet meer te heropenen valt. Deze “herzieningsoptie” is in artikel 358a Fw neergelegd. Wie zich verder wil verdiepen in de omzetting van de restantvorderingen in natuurlijke verbintenissen, en het karakter van de schone lei als zodanig, zij verwezen naar een publicatie van (de latere Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad) M.H. Wissink, Schone lei en natuurlijke verbintenis, in het toen nog jonge Tijdschrift voor SchuldSanering 2000/3, p. 2-5.

Benadeling van schuldeisers
Waar bestond de benadeling van de crediteuren in deze zaak dan uit ? De saniet had voorafgaande aan zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling een eenmanszaak gehad, en was in staat van faillissement verklaard. Zijn ex-partner had als (formeel) bestuurder met zijn onderneming een doorstart gemaakt onder de naam X B.V. Ook deze B.V. was vervolgens in staat van faillissement verklaard. De curator in dit faillissement heeft bij brief van 28 maart 2014 aan de (voormalig) rechter-commissaris in de schuldsaneringsregeling van de saniet geschreven dat in dat faillissement een beeld naar voren was gekomen dat niet de statutair directeur (de ex-partner) maar haar ex-echtgenoot (de saniet dus) degene was die het bedrijf feitelijk leidde. Voor de saniet in de Wsnp kwam had hij ook een transportbedrijf, aldus de curator, en de saniet was ook degene met wie de curator had gesproken toen het faillissement was uitgesproken. Van de ex-partner van de saniet had de curator nooit iets vernomen. In het dossier bevinden zich diverse brieven en e-mailberichten waarin het beeld wordt bevestigd dat de saniet werkzaamheden voor de B.V. verrichtte en feitelijk het bedrijf leidde.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 5 januari 2015 dat de (ex)saniet zijn verweer, dat hij slechts enkele telefoongesprekken en lichte administratieve werkzaamheden voor de B.V. heeft verricht, onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Het lag op zijn weg om specifieker in te gaan op hetgeen in de verschillende verklaringen omtrent zijn werkzaamheden voor de B.V. is vermeld. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting neemt het hof aan dat hij werkzaamheden heeft verricht voor de B.V. van een zodanige omvang, dat hij feitelijk de onderneming heeft geleid. Het hof is van oordeel dat de (ex) saniet wist, dan wel behoorde te weten, dat hij in het kader van de schuldsaneringsregeling de bewindvoerder diende te informeren over alle aangelegenheden die voor de regeling van belang kunnen zijn, ook over de door hem voor de B.V. verrichte werkzaamheden. In die zin is hij naar het oordeel van het hof toerekenbaar tekortgeschoten in de in art. 288 lid 1 sub c Fw genoemde informatieverplichting.

Verweren debiteur
De (ex) saniet stelde verder ter afwering van het ontnemingsverzoek dat hij voor de door hem verrichte werkzaamheden geen vergoeding in de vorm van loon had ontvangen. Het hof is op dit punt van oordeel dat – nu hij in verband met zijn arbeidsongeschiktheid was vrijgesteld van zijn sollicitatieverplichting - er des te meer reden bestond voor de (ex) saniet om de bewindvoerder te informeren over de door hem verrichte werkzaamheden, zodat hij zijn ten behoeve van de B.V. benutte arbeidscapaciteit had kunnen aanwenden om inkomen te genereren voor de schuldeisers. Tenminste had zijn bewindvoerder dan in ieder geval kunnen onderzoeken of hij daartoe in staat zou zijn geweest. Het hof merkt fijntjes op dat de arbeidsongeschiktheid van de debiteur er destijds ook niet aan in de weg stond om zijn eenmanszaak te exploiteren. Nu hij door inzet van zijn arbeidscapaciteit geen inkomen voor zijn schuldeisers heeft gegenereerd, en nu de schuldeisers – door het verzuim om de bewindvoerder te informeren – verstoken zijn gebleven van iedere controle op de werkzaamheden en op zijn mogelijkheden om inkomsten voor zijn schuldeisers te verwerven, heeft de (ex) saniet naar het oordeel van het hof – en dus ook van de Hoge Raad – zijn schuldeisers benadeeld.
 
Wie is belanghebbende ?
Wie zich allemaal belanghebbende mag noemen omschrijft de wet niet, en ook de parlementaire geschiedenis geeft daarover geen nader uitsluitsel. Dat ook de bewindvoerder als “belanghebbende” kan worden aangemerkt wisten we al enige tijd op grond van een eerder arrest van de Hoge Raad (HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4484). De bewindvoerder moet nu eenmaal in staat worden gesteld om in het belang van de schuldeisers een goed wettelijk toezicht uit te oefenen over de saniet, en dient zich ook te kunnen verweren tegen eventuele aanspraken van schuldeisers wegens onbehoorlijke taakuitoefening. Omdat in het kader van artikel 358a Fw aan de (ex)saniet gedragingen worden verweten die niet - althans niet tijdig - zijn gebleken aan de bewindvoerder en R-C tijdens de duur van de schuldsanering, heeft de bewindvoerder ter afwenteling van eventuele klachten en aanspraken op grond van een onbehoorlijke taakuitoefening van de kant van schuldeisers (die zich immers geconfronteerd zien met een onterecht verleende schone lei) een rechtens te respecteren belang bij een ontnemingsverzoek. De Hoge Raad redeneert in zijn recente arrest van 24 april 2015 vanuit het stelsel van de schuldsaneringsregeling en verwijst daarbij ook naar de toezichthoudende taak van de rechter-commissaris (artikel 316 Fw). Vroeger was overigens al eens de verderstrekkende beslissing aanvaard dat “op grond van een redelijke wetstoepassing” ook de rechtbank zelf (dus niet zozeer de rechter-commissaris) kan overgaan (“ambtshalve” zoals dat heet) tot ontneming van een schone lei (Rb. Zutphen 25 november 2003, ECLI:NL:RBZUT:2003:AO0430).

Een juiste beslissing
De oplossing die de Hoge Raad nu hier kiest is zonder meer bevredigend, zowel op wetssystematische gronden als gezien het belang van een effectieve fraudebestrijding in de schuldsanering. De bewindvoerder is doorgaans degene die achteraf op de hoogte raakt van feiten en omstandigheden die tussentijdse beëindiging zouden hebben gerechtvaardigd c.q. verlening van de schone lei in de weg zouden hebben gestaan. Afgaande op de wetstekst van artikel 358a Fw is het verzoek tot ontneming van de schone lei wegens benadeling van de schuldeisers niet beperkt tot benadeelde schuldeisers, maar is elke belanghebbende daartoe gerechtigd. Met andere woorden: als de wet uitsluitend de schuldeisers op het oog zou hebben gehad, dan zou de wetstekst wel het woord “schuldeisers” hebben gebezigd in plaats van het ruimere begrip “belanghebbende”. Gegeven dit ruime begrip, en bezien vanuit de ratio van artikel 358a Fw (misbruikbestrijding) ligt het eigenlijk ook niet voor de hand om juist die toezichthoudende partijen die het dossier het beste kennen, namelijk de bewindvoerder en de rechter-commissaris, het recht te ontzeggen om een ontnemingsverzoek in te dienen. Sterker nog: een beperkte opvatting zou het maatschappelijk draagvlak van de schuldsanering en de “schone lei gedachte” kunnen ondermijnen.

Last modified on dinsdag 15 december 2015 10:10

Leave a comment