Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

zondag 06 september 2015 16:54

Matiging, redelijkheid en imputatie van buitengerechtelijke incassokosten

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)

Schulden, rente en incassokosten gaan vaak samen. Waar de rente een vergoeding is voor de tijd dat de schuldeiser langer moet wachten op zijn geld dan afgesproken, is het incassobedrag een vergoeding voor zijn moeite om de vordering te innen. Een vergoeding die wel binnen redelijke perken moet blijven, maar die (net als rente) bovenop de verschuldigde hoofdsom komt. Bij achterstallige betaling en bij deelbetalingen kunnen die verschillende kostenposten leiden tot geschillen. En geldt dat alles ook tussen zakelijke relaties, dus als er geen consument bij is betrokken ? 

Weer moest de Hoge Raad duidelijkheid geven over de buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 2 onder c BW uit de Wet Incassokosten) en de redelijkheid en de matiging ervan. Dit soort kosten vallen ook onder het begrip ‘kosten’ in art. 6:44 lid 1 BW, aldus de Hoge Raad. Dus wordt een (deel)betaling door de debiteur allereerst beschouwd (“geïmputeerd”) als de voldoening van die openstaande incassokosten, en pas daarna gezien als voldoening van rente of hoofdsom. 

En in business-to-business-relaties, daar geldt toch onverkort: afspraak is afspraak, zonder bijzondere bescherming ? Niet helemaal. Er bestaat een bevoegdheid van de rechter – aldus de Hoge Raad – om in niet-consument (“B2B”-) relaties de buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te matigen (art. 242 Rv). Indien de schuldenaar geen consument is, is art. 2 van het Besluit Incassokosten (BIK) slechts van aanvullend recht. De rechter mag een in een B2B-relatie bedongen incassobedrag ambtshalve matigen tot het BIK-niveau, indien door de incassant niet wordt gesteld (en bij betwisting aannemelijk wordt gemaakt) dat de werkelijke kosten hoger zijn dan dat bedrag. 

 

(Bron: Hoge Raad 10 juli 2015 ECLI:NL:HR:2015:1868, Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:806, Prejudiciële vraag: ECLI:NL:GHSHE:2015:319 )

 

1.De casus in het kort.

 

De casus is een stuk simpeler dan het recht. A heeft in 2012 aan B bouwmaterialen verkocht en geleverd. In verband daarmee heeft zij facturen aan B gezonden. De algemene voorwaarden van A zijn op de verhouding van partijen van toepassing en A en B handelen beide beroepsmatig. B heeft vijf van de toegezonden facturen, tot een totaalbedrag van € 24.821 niet tijdig betaald. De advocaat van A heeft B gesommeerd te betalen vóór 23 augustus 2012 de hoofdsom, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten (€ 3.762) en btw (€ 714). B heeft op 22 augustus 2012 € 15.525 betaald en op 13 september 2012 nog eens € 8.000,--. Dan vordert A veroordeling van B tot betaling van het restbedrag € 5.333. Zij stelt dat de betalingen van B in mindering strekken op achtereenvolgens: de verschenen rente, de buitengerechtelijke kosten en de hoofdsom, en dat het nu nog gevorderde bedrag het onbetaald gebleven gedeelte van de hoofdsom is. Is dat juist ?

 

2.De prejudiciële vragen.

 

Bij arrest van 3 februari 2015 heeft het Bossche gerechtshof op de voet van art. 392 Rv aan de Hoge Raad de volgende vier prejudiciële vragen gesteld: 

1. Vallen buitengerechtelijke incassokosten onder het begrip “kosten” van art. 6:44 BW?

2. Is het in strijd met de Richtlijn 2011/7/EU betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties om een in een B2B-relatie bedongen incassobedrag ambtshalve te matigen tot de (hoogte van de) wettelijke staffel die voor consumenten is opgenomen en/of voor partijen die geen afspraken omtrent de hoogte van verschuldigde incassokosten hebben gemaakt, indien niet wordt aangetoond dat de werkelijke kosten hoger zijn dan het staffelbedrag ?

3. Dient art. 242 Rv, mede gezien de doelstelling van Richtlijn 2011/7/EU, aldus te worden uitgelegd dat bij de bepaling of jegens de schuldenaar redelijk is het bedrag van de buitengerechtelijke kosten dat, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, in beginsel als uitgangspunt dient te gelden het in de branche waarin beide partijen opereren gebruikelijke incassopercentage? Is daarbij tevens van belang of de schuldenaar zelf ook dat percentage hanteert in de verhouding tot zijn schuldenaren?

4. Maakt het uit of de schuldeiser met betrekking tot de incasso van zijn vordering op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener afspreekt dat hij het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen vaste of degressieve incasso-percentage van de hoofdsom aan zijn rechtsbijstandverlener is verschuldigd? 

 

3.Hoe zat het nu ook alweer ?

 

Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten geldt als vanouds in de rechtspraak de dubbele redelijkheidstoets (zie bijvoorbeeld HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740, NJ 1999/196). Zowel het verrichten van incassowerkzaamheden als de omvang daarvan dienen redelijk te zijn. Sinds de wettelijke normering per 1 juli 2012 van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten (in de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten, Stb. 2012, 140 – hierna: de WIK) en in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, Stb. 2012, 141 (hierna: het Besluit, of BIK) is de tweede fase van deze dubbele redelijkheidstoets gefixeerd. Op grond van art. 6:96 lid 5 BW is daartoe in het Besluit de (maximale) hoogte van de vergoeding van deze kosten vastgesteld op een forfaitair percentage van de verschuldigde hoofdsom (art. 2 Besluit), dat dus niet afhankelijk is van de exacte werkzaamheden. Lid 5 bepaalt dat van deze regels niet ten nadele van een consument-schuldenaar kan worden afgeweken. Met de nieuwe regelgeving heeft de wetgever beoogd bij de incasso van contractuele geldschulden houvast te bieden omtrent de hoogte van de in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW genoemde redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, zodat daarover conflicten en een eventuele gang naar de rechter worden voorkomen. 

Dat laatste betekent niet dat rechters zelf geen behoefte zouden hebben aan prejudiciële antwoorden op prejudiciële vragen. Over de buitengerechtelijke incassokosten werd aan de Hoge Raad ruim een jaar geleden een eerste maal een prejudiciële vraagstelling voorgelegd (art. 392 Rv) gesteld, en wel omtrent het moment van de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 2 onder c BW). De wet eist daarvoor dat er na verzuim van de consument-schuldenaar een aanmaning (de zogenaamde ‘veertiendagenbrief’) wordt verzonden door de schuldeiser (art. 6:96 lid 6 BW). Na ommekomst van de termijn uit deze ‘veertiendagenbrief’ bestaat voor de crediteur recht op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, ook indien de crediteur nadien geen nadere incassohandeling verricht (Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405 RvdW 2014/812). In het hier besproken recente arrest van 10 juli 2015 waren de buitengerechtelijke incassokosten ten tweede male onderwerp van een prejudicieel debat bij de Hoge Raad.

 

4.Het eerste prejudiciële antwoord: de imputatieregels.

 

De eerste prejudiciële vraag betrof de toerekening of imputatie van een bepaalde deelbetaling door de debiteur als er meer dan een schuld moet worden voldaan (hoofdsom, al dan niet in periodieke termijnen, wettelijke en contractuele achterstallige dan wel lopende rente, buitengerechtelijke incassokosten). De wet geeft in de artikelen 43 en 44 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek een regeling waarin een bepaalde volgorde wordt aangehouden voor de afboeking van binnengekomen deelbetalingen. Eerst wordt afgeboekt op de kostenposten, vervolgens op de achterstallige rente, dan pas op de hoofdsom en op de lopende rente. Normaliter mag de debiteur aanwijzen welke (deel)betaling strekt tot voldoening van welke openstaande schuld. Maar bij betaling van geldsommen geldt dit “benamingsrecht” niet en heeft de schuldeiser recht op de wettelijke volgorde van imputatie die artikel 6:44 BW hem biedt, en mag hij dus ook een andere aangewezen volgorde van de kant van de debiteur weigeren (lid 2). 

De kantonrechter had geoordeeld dat buitengerechtelijke kosten geen kosten in de zin van art. 6:44 BW zijn en dat de gedane deelbetalingen dus in mindering konden strekken op de verschenen rente en de hoofdsom. De kantonrechter had zodoende de gevorderde hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 1.296,24 en als buitengerechtelijke kosten € 300,-- toegewezen. Die benadering geldt als onjuist, aldus de Hoge Raad. Want als antwoord op de eerste prejudiciële vraag oordeelt de Hoge Raad dat de imputatieregel van artikel 6:44 BW in lid 1 bepaalt dat betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in mindering van eerst de kosten, dan de verschenen rente en daarna de hoofdsom en de lopende rente. Ook buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip ‘kosten’ in deze bepaling, want dat zijn immers kosten die op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW als vermogensschade mede in aanmerking komen voor vergoeding. Volgens de Hoge Raad heeft art. 6:44 BW de strekking om de schuldeiser tegen schade te beschermen, en heeft de schuldeiser aanspraak op de rente over het openstaande gedeelte van de hoofdsom totdat dit gedeelte volledig is voldaan. Aan dit belang van de schuldeiser komt meer gewicht toe dan aan het belang van de niet tijdig betalende schuldenaar.

  

5.De overige prejudiciële antwoorden: matigingsbevoegdheid en redelijkheidsmaatstaf.

 

De tweede, derde en vierde prejudiciële vraag hebben betrekking op de bevoegdheid van de rechter om bedongen buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te matigen (art. 242 Rv). Deze vragen worden door de Hoge Raad gebundeld beantwoord, en eerst wordt het wettelijk kader kort geschetst. 

Buitengerechtelijke incassokosten komen als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding, behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84). Art. 242 Rv bevat regels betreffende de proceskosten. Art. 242 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter bedragen die zijn bedongen ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve kan matigen, maar niet tot onder het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die jegens de wederpartij redelijk zijn, gelet op de tarieven die aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht. Deze bepaling stelt de rechter in staat (incasso)kosten ambtshalve te matigen tot het bedrag van een redelijke schadeloosstelling. De bepaling is onder meer van toepassing op kosten die zijn overeengekomen in ‘business to business’-relaties (B2B-relaties), dat wil zeggen tussen partijen die geen van beide natuurlijke persoon zijn, niet handelend in de uitoefening van beroep of bedrijf (consument). De rechter dient een matiging wel te motiveren, maar daaraan worden geen strenge eisen gesteld (HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP6874, NJ 2006/200; HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201).

 

Art. 6 lid 3 van Richtlijn 2011/7/EU betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties geeft een schuldeiser in geval van een handelstransactie aanspraak op een redelijke schadeloosstelling voor alle invorderingskosten als gevolg van de betalingsachterstand van de schuldenaar, waaronder ook de kosten voor het inschakelen van een advocaat of incassobureau. De hiervoor geschetste beoordeling van gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is niet in strijd met art. 6 lid 3 van de richtlijn. Voor gevallen waarin de betalingsachterstand betrekking heeft op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom, bevat art. 2 BIK (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012/141) een regeling voor de omvang van buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 5 BW). Volgens deze regeling loopt de normering via een forfaitair percentage dat uitsluitend is gekoppeld aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom, en dus niet aan de aard en omvang van de verrichte incassowerkzaamheden (HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). 

 

Indien de schuldenaar geen consument is, is art. 2 BIK van aanvullend recht, geen dwingend recht dus. Men mag ervan afwijken in een contract. Het staat de rechter echter vrij een in een B2B-relatie bedongen incassobedrag ambtshalve te matigen tot het bedrag dat overeenkomstig art. 2 BIK wordt begroot, indien niet wordt gesteld (en bij betwisting aannemelijk wordt gemaakt) dat de werkelijke kosten hoger zijn dan dat bedrag. Weliswaar behoort ook de hoedanigheid van partijen tot de omstandigheden die door de rechter in aanmerking dienen te worden genomen, maar er is geen aanleiding om aan te nemen dat in een geval van een B2B-relatie zijn beoordelingsvrijheid wordt beperkt door inhoud of strekking van de WIK (Wet normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte; Stb. 2012/140 en het bijbehorende BIK.

 

Tenslotte beantwoordt de Hoge Raad de derde en de vierde prejudiciële vraag. Een incassopercentage dat gebruikelijk is in de branche waarin beide partijen opereren of dat door de schuldenaar zelf in de verhouding tot zijn schuldenaren wordt gehanteerd, kan een factor zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van incassokosten. Een dergelijk percentage is echter nog geen uitgangspunt, want dat zou afbreuk doen aan de strekking van art. 242 Rv en aan de rechterlijke beoordelingsvrijheid. Evenmin bepalend is of de schuldeiser met betrekking tot de incasso van zijn vordering op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener afspreekt dat hij het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen incassopercentage van de hoofdsom aan zijn rechtsbijstandverlener is verschuldigd. Ook een dergelijke afspraak kan relevant zijn bij de vraag naar de redelijkheid van de incassokosten. 

Als een bepaald incassopercentage in de branche gebruikelijk is, of door de debiteur zelf ook wordt gehanteerd, of door de crediteur met zijn rechtsbijstandsverlener is overeengekomen, wil dat allemaal nog niet zeggen dat daarmee in beginsel voldoende is gesteld dat de werkelijke incassokosten hoger zijn dan het forfaitaire bedrag van de BIK-staffel, en dat die hogere kosten dus redelijk zijn, en dat het daarmee aan de wederpartij zou zijn om de redelijkheid gemotiveerd te betwisten. Met andere woorden: aan de stelplicht en de bewijslast is dan niet automatisch voldaan. 

 

 

Last modified on dinsdag 15 december 2015 10:29

Leave a comment