Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

zondag 28 juni 2015 10:54

Tot wie richt zich de wet?

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)

Dat het minnelijke en het wettelijke traject weliswaar allebei de schuldenproblematiek beogen te bestrijden, maar toch twee verschillende werelden vormen, is een waarheid als een koe: dat weten we nu wel, dat is oudbakken nieuws. Past zo’n Hollandse koe dan wel in een digitale actualiteit ? Wel als we deze koe eens vanuit een ander perspectief bekijken. Beide trajecten kennen sinds 1 juli 2012 een wettelijke omheining, die echter geheel verschillend van aard is. De Wet schuldsanering natuurlijke personen maakt onderdeel uit van de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening maakt als kaderwet deel uit van het publieke domein. Tot wie richt de wet zich, of in juridisch jargon: wie is de normadressaat ?

 

In de Wsnp staat de schuldenaar op de eerste plaats, direct gevolgd door de schuldeisers. De wet richt zich voortdurend tot deze beide partijen en hun (vermogens)belangen. De gemeente komt alleen in artikel 285 Fw even om de hoek kijken, via de afgifte van de modelverklaring om het minnelijke traject te beëindigen en het wettelijke traject aan te vragen. Dat is bij de Wgs heel anders: die wet richt zich juist primair tot de gemeenten, gemeenteraden en de gemeentelijke schuldhulpinstanties. Pas op de tweede plaats richt de wet zich tot de burgers die een beroep willen doen op deze eerstelijnsvoorziening. De schuldeiser komt alleen in artikel 5 lid 1 even om de hoek kijken, in het kader van het (nog niet in werking getreden) brede minnelijk moratorium. Dat het in de Wgs niet primair gaat om de belangen van schuldeisers en schuldenaren wordt trouwens door die bepaling geïllustreerd, want die afkoelingsperiode kan straks uitsluitend door de gemeente worden aangevraagd.

Gechargeerd: in de Wsnp is de gemeente de “blinde vlek”, in de Wgs is dat de schuldeiser. Heel bijzonder is dat niet, want iedere wet beschermt een beperkt aantal belangen, al naar gelang wat de wetgever ermee wilde bewerkstelligen. En de Wsnp is nu eenmaal een wet van privaatrechtelijke aard, die (financiële) geschillen beoogt te beslechten tussen burgers en bedrijven onderling, terwijl de Wgs een publiekrechtelijke (kader)wet is die een nieuwe taak van de overheid beoogt te regelen. De relatief nieuwe regeling van het schuldenbewind lijkt wat dat betreft erg op de Wsnp, want is sinds 1 januari 2014 in het Burgerlijk Wetboek geregeld en ziet ook vooral op de vermogensbelangen van de schuldenaar.

Het betekent wel dat de rechtsgang en de rechtsgevolgen voor de betrokkenen ook verschillend zijn ingericht: in de Wet gemeentelijke schuldhulp is het de bestuursrechter die (tot aan de Raad van State) beslist over de vraag of een minnelijk schuldhulptraject terecht of onterecht geweigerd of beëindigd is, en in de schuldsanering is dat de insolventierechter (tot aan de Hoge Raad). De bestuursrechter beslist niet over de belangen van de (in zijn procedure niet betrokken) schuldeisers, en de insolventierechter heeft weinig of geen grip op het doen en laten van de (in zijn procedure niet betrokken) gemeentelijke instanties. De overeenkomst is natuurlijk dat met de komst van beide wetten de schuldenproblematiek flink is gejuridiseerd. Of eigenlijk een trio aan wetten, als we het anderhalf jaar oude schuldenbewind uit Boek 1 BW meetellen. En het einde is nog niet in zicht, want het brede minnelijke moratorium uit artikel 5 Wgs komt eraan in 2016, dat ondanks het Wgs-karakter toch de vermogensbelangen van de schuldeisers tijdelijk gaat raken. Zo kijk je toch weer anders naar een gewone koe.

 

Last modified on maandag 29 juni 2015 11:55

Leave a comment