Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

zaterdag 23 mei 2015 15:31

(Tweede) prognosevoorstel biedt onvoldoende betalingszekerheid: dwangakkoord afgewezen

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)
 
(Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juli 2014 ECLI:NL:GHARL:2014:5724) 
 

In 2013 werd 30% van de verzoeken dwangakkoord toegewezen, maar liefst 45% werd ingetrokken, 5% niet-ontvankelijk verklaard, en 20% werd afgewezen (bron: Monitor nr. 10, Wsnp 2013). Dit geval hoort bij die laatste 20%. Als we kijken naar het beginsel dat door de meeste rechters standaard voorop wordt gezet in hun vonnis of arrest, dan zou je een veel hoger percentage dan (slechts) in een op de vijf verzoekschriften een afwijzing verwachten. Ook in dit arrest begint het Hof met te overwegen dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat om zijn medewerking aan een aangeboden schuldregeling te weigeren.

Bij toewijzing van een bevel tot instemming is immers terughoudendheid geboden. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Dit is een zware bewijslast, en verzoeker slaagt daar niet in. Dus zegeviert in deze zaak uiteindelijk het beginsel van (negatieve) contractsvrijheid – namelijk de vrijheid om te besluiten om niet een schikking aan te gaan. Het Hof vindt dat de verzoeker onvoldoende weet te onderbouwen dat het gedane voorstel het maximaal haalbare is. Wat ging er dan mis ? 

In juli 2013 had de debiteur een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Deze schuldregeling hield in dat aan de vier schuldeiseres werd aangeboden een percentage van 10,72% van hun vordering uit te betalen in een termijn van 36 maanden tegen finale kwijting. De ING had dit aanbod afgewezen. Toen de debiteur de procedure dwangakkoord van artikel 287a Fw aanhangig had gemaakt, wees het Hof Arnhem-Leeuwarden een tussenarrest op 3 juni 2014 waarin de zaak werd aangehouden om beide partijen de gelegenheid te geven nadere stukken aan het hof over te leggen. Na het tussenarrest van het hof stelde de debiteur opnieuw een schuldregeling voor aan zijn schuldeisers, met een recente berekening van het vrij te laten bedrag. Dit tweede schuldregelingsvoorstel hield in dat aan de vier schuldeisers werd aangeboden een percentage van 20,01% van hun vordering, uit te betalen in een termijn van 36 maanden tegen finale kwijting. Het ging hierbij om een prognose die uiteindelijk hoger of lager zou kunnen uitvallen, afhankelijk van het bedrag dat maandelijks zou kunnen worden gereserveerd. Ook dit tweede aanbod werd door ING van de hand gewezen. De ING was alleen bereid om finale kwijting te verlenen indien het gehele in het vooruitzicht gestelde bedrag van € 5.134,81 ineens door ING zou worden ontvangen.

 

Met de hoogte van de uitkering was dus op zichzelf niets mis in de ogen van de schuldeiser, maar er was teveel onzekerheid over de prognose van de maandelijkse reservering en de aflossingstermijn. Het Hof oordeelt dat een prognosevoorstel voldoende zekerheid dient te bieden dat de verzoeker het aangeboden bedrag in de schuldregeling ook daadwerkelijk aan de schuldeiser kan betalen in een periode van drie jaar. Hiervan was geen sprake. Het prognosevoorstel was gebaseerd op een vast dienstverband. Verzoeker werkte sinds 12 april 2014 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden bij een horecabedrijf. Zijn dienstverband zou vooralsnog van rechtswege eindigen op 11 oktober 2014. 

 

De conclusie van het Hof dat het vonnis van de Rechtbank Overijssel moet worden bekrachtigd is dan gestoeld op drie argumenten. De ING heeft in redelijkheid de instemming met deze schuldregeling kunnen weigeren, in aanmerking nemende dat a. de prognose was gebaseerd op de huidige inkomsten uit werk, terwijl verzoeker een tijdelijk dienstverband heeft, en dat b. de waarborgen die de schuldsaneringsregeling biedt niet gelden en dat c. de ING daarnaast een groot gedeelte vertegenwoordigt van de totale schuldenomvang, namelijk 46,8%. 

 

Deze drie argumenten versterken elkaar en kunnen samen genomen zeker overtuigen. Want de enkele omstandigheid dat bij een verzocht dwangakkoord de waarborgen ontbreken die nu eenmaal in de wettelijke schuldsaneringsregeling gelden, is onvoldoende voor een afwijzing: dan zou geen enkel verzoek dwangakkoord het ooit kunnen halen. De verzoeker doet er goed aan om niet alleen aan te tonen dat het aanbod het maximaal haalbare is en op termijn zal zijn (“via een Wsnp zult u niet meer kunnen ontvangen”), maar ook om maximale zekerheid te bieden aan zijn schuldeisers ten aanzien van de daadwerkelijke uitbetaling. Alleen dan is er voldoende vervangende zekerheid ten opzichte van het systeem van de Faillissementswet, als het gaat om de vaststelling van en het toezicht op de inkomens- en vermogenspositie van de verzoeker door de bewindvoerder en de rechter-commissaris, de sollicitatie- en informatieplicht, de postblokkade en de jaarlijkse inkomenstoets. 

 

Last modified on donderdag 18 juni 2015 14:30

Leave a comment