Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

zaterdag 23 mei 2015 15:04

Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht

Geschreven door  B.E. Engberts
Rate this item
(0 stemmen)

 

Op 9 juni a.s. zal ik de heer B. E. Engberts zijn proefschrift, getiteld 'Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht', verdedigen aan de Universiteit Leiden. Zijn promotor is prof. Bob Wessels. In deze bijdrage een korte samenvatting van zijn onderzoek en de praktische betekenis die zijn onderzoek heeft voor de schuldenproblematiek. Zoals bekend, kent de Faillissementswet sinds 1998 een wettelijke regeling voor de kwijtschelding van schulden van natuurlijke personen. Deze regeling wordt veelal de Wsnp (wet schuldsanering natuurlijke personen) genoemd. In 2008 zijn drie nieuwe artikelen aan de Wsnp toegevoegd: de artikelen 287 lid 4, 287a en 287b Fw. Deze bepalingen vormen het onderwerp van het promotieonderzoek van Berend Engberts.


Art. 287 lid 4 en art. 287b Fw introduceren de voorlopige voorziening in het insolventie(proces)recht en art. 287a Fw de figuur van de gedwongen schuldregeling. De voorziening van art. 287 lid 4 Fw ziet op het overbruggen van de periode tussen het indienen van een verzoek tot toelating tot de Wsnp bij de rechtbank en de beslissing daarop door de insolventierechter. Indien in die periode voor de schuldenaar een noodsituatie ontstaat door executiemaatregelen van een schuldeiser, kan deze voorziening voorkomen dat de te verwachten schuldsanering aanstonds gedoemd is te mislukken. De in art. 287b Fw genoemde voorlopige voorzieningen zijn aan de orde in een eerdere fase van de aanpak van problematische schulden. Deze voorzieningen strekken ertoe de schuldenaar in staat te stellen een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te treffen. Anders dan bij art. 287 lid 4 kunnen slechts een drietal, in art. 287b genoemde voorzieningen worden getroffen: ter voorkoming (i) van huisuitzetting uit een huurwoning, (ii) van afsluiting van een nutsvoorziening en (iii) van beëindiging van een zorgverzekering. Art. 287a Fw geeft de insolventierechter tot slot de bevoegdheid een schuldeiser te dwingen deel te nemen aan een (buiten wettelijke) schuldregeling. Dit wordt in het onderzoek een dwangregeling genoemd.
De wetgever heeft de procedures van de art. 287 lid 4, 287a en 287b Fw zeer beperkt beschreven. Met dit onderzoek tracht Berend Engberts de drie procedures in te passen in het systeem van insolventieprocesrecht (en het burgerlijk procesrecht) en daarmee de kwaliteit van de procedures te verbeteren en de coherentie van het burgerlijkprocesrecht te bevorderen. Het onderzoek is op ‘klassieke’ wijze uitgevoerd. Dat wil zeggen dat de wet, de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en de juridische literatuur zijn bestudeerd en geanalyseerd.
Eerst is een studie gemaakt van het burgerlijk procesrecht en het insolventieprocesrecht, dat wil zeggen het procesrecht in de Faillissementswet. Op basis van die analyse is, ten behoeve van de studie van de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b Fw, een procedureel kader geschetst. Tevens is een aantal vergelijkbare procedures in het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering , te weten de verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv), het kort geding (art. 254 Rv) en de provisionele vordering (art. 223 Rv), onderzocht.
Vervolgens zijn de drie wetsbepalingen en hun toepassing in de praktijk in kaart gebracht. Daarbij is een groot aantal uitspraken (ruim 280) geanalyseerd. Oplossingen voor de gevonden problemen zijn gezocht door inbedding van de drie procedures in het geschetste procedurele kader en, aanvullend, door vergelijkingen te maken met de genoemde procedures uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Geconcludeerd wordt dat de drie procedures niet in alle opzichten passen bij het systeem en de aard van het insolventie(proces)recht. Tevens wordt in dit onderzoek vastgesteld dat de drie onderzochte procedures veelal niet voldoen aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging omdat het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor wordt geschonden. Berend Engberts signaleert ten slotte dat de lacunair beschreven procedures leiden tot uitlopende jurisprudentie met rechtsonzekerheid tot gevolg. Aanbevolen wordt om de bepalingen van de verzoekschriftprocedure (titel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) zo veel mogelijk (analogisch) toe te passen.
In het onderzoek wordt tevens aandacht besteed aan de verhouding tussen art. 287b Fw en het zogeheten brede moratorium van artikel 5 van de Wet op de Gemeentelijke Schuldhulpverlening (Wgs). Art. 5 Wgs wordt naar verwachting ingevoerd in 2016. Op grond van deze bepaling kunnen burgemeester en wethouders de rechtbank vragen om ten behoeve van een schuldenaar een afkoelingsperiode te gelasten. De executiebevoegdheid van alle schuldeiser wordt door deze afkoelingsperiode getroffen. Art. 5 Wgs gaat aldus veel verder dan art. 287b. De minister lijkt voornemens de procedure van art. 5 Wgs in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) vast te leggen. Berend Engberts concludeert dat de verzoekschriftprocedure van titel 3 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering op art. 5 Wgs van toepassing is. Het opstellen van genoemde AMvB is derhalve niet nodig ter beschrijving van de procedure. Tot slot is bezien of het wenselijk is om art. 287b naast art. 5 Wgs te laten bestaan en of één van beide artikelen, met herformuleren van de andere wetsbepaling, zou kunnen worden ingetrokken. Promotor is prof. mr. Bob Wessels.
Promotie B.J. Engberts “Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht” ; dinsdag 9 juni 2015 om 16.15 uur in het Academiegebouw Rapenburg 73, te Leiden

Last modified on maandag 15 juni 2015 19:21

Leave a comment