Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

woensdag 11 februari 2015 14:00

Termijnverlenging: de Hoge Raad geeft richting.

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)


Wanneer mag de rechter de termijn van de schuldsanering verlengen, en welk rechtsgevolg heeft dat voor de saniet ?

(Hoge Raad 10 oktober 2014 ECLI:NL:HR:2014:2935 conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1764, prejudiciële vraag: ECLI:NL:GHSHE:2014:1473 en 1474)

Wat was de kern van dit principiële arrest ? Aan ons hoogste rechtscollege werden door een lagere rechter “prejudiciële vragen” gesteld naar de bevoegdheid tot verlenging na het materiële einde van de schuldsaneringstermijn. Volgens de Hoge Raad heeft de rechter de bevoegdheid om ook daarna nog te verlengen, en doet de rechter er goed aan om daarbij te preciseren welke verplichtingen in die verlengde termijn gelden. De schuldsaneringsverplichtingen van de saniet lopen niet vanzelf door in de periode tussen de afloop van de schuldsaneringstermijn en de onherroepelijke beslissing omtrent de verlenging (artikel 349a leden 1, 2 en 3 Fw). De spreekwoordelijke “adder onder het gras” is dat bij het nemen van de verlengingsbeslissing de rechter wel het gedrag van de saniet meeweegt na afloop van de materiële termijn. Met andere woorden: de saniet die een verlenging wenst kan zich beter onverkort (blijven) houden aan alle verplichtingen, ook al is de materiële termijn voorbij.


Feiten, Rechtbank en Hof.

Bij vonnis van 19 november 2010 is verzoekster X tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. Op grond van art. 349a lid 1 Fw is de looptijd van de schuldsanering op 19 november 2013 geëindigd. De bewindvoerder heeft op 15 november 2013 een voordracht gedaan tot beëindiging van de schuldsanering zonder verlening van de ‘schone lei’. De rechter-commissaris heeft zich verenigd met de voordracht van de bewindvoerder, en aangetekend dat de mogelijkheid van verlenging van de looptijd moest worden onderzocht. De rechtbank heeft de schuldsanering beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Naar het oordeel van de rechtbank is X toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van enkele verplichtingen, namelijk om te solliciteren en om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan. De rechtbank heeft afgezien van een verlenging van de looptijd, omdat X ter zitting uitdrukkelijk heeft laten blijken van mening te zijn dat haar geen enkele blaam treft en omdat zij de mogelijkheid om de tekortkomingen te herstellen of te compenseren van de hand heeft gewezen. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat aan X herhaaldelijk is voorgehouden op welke wijze zij aan haar verplichtingen dient te voldoen.
Het hof heeft overwogen dat X weliswaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting om te solliciteren, maar dat de bewindvoerder haar tussentijds niet of onvoldoende heeft gewaarschuwd naar aanleiding van deze tekortkomingen. De nieuw ontstane schuld achtte het hof niet verwijtbaar. Hoewel een schone lei (nog) niet aan de orde is, brengen de omstandigheden mee dat X in beginsel de gelegenheid dient te worden geboden alsnog de gewenste inspanning te leveren in het kader van een verlenging, die zij – anders dan in eerste aanleg – in hoger beroep subsidiair ook heeft verzocht.
Vervolgens heeft het hof bezien of het wettelijk systeem een verlenging toestaat, nu de looptijd van deze schuldsanering al op 19 november 2013 is geëindigd, dus vóór de zitting van de rechtbank waarop de beëindiging van de schuldsanering en de toekenning van de schone lei aan de orde waren.
Bij arrest heeft het hof Den Bosch op 20 maart 2014 daarom aan de Hoge Raad op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen gesteld.
1. Is op de voet van art. 349a Fw verlenging mogelijk indien de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds is beëindigd?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: wat betekent dat voor de verplichtingen van de schuldenaar na afloop van de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn, maar voorafgaand aan de definitieve rechterlijke beslissing over de gevraagde verlenging?

Wat zegt de Hoge Raad ?

De Hoge Raad lepelt eerst een paar wettelijke regels op. Op grond van art. 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de schuldsanering drie jaar, maar kan de rechter in afwijking daarvan de termijn op ten hoogste vijf jaar stellen. Art. 349a lid 2 Fw kent de R-C de bevoegdheid toe om ambtshalve, dan wel op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers, de termijn te wijzigen, en deze op ten hoogste vijf jaar te stellen. Op grond van art. 349a lid 3 Fw is de rechtbank, onder dezelfde voorwaarden als de R-C, bevoegd om in het kader van art. 350 of 352 Fw ambtshalve, dan wel op voordracht van de R-C of op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers, de termijn te wijzigen.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met de in art. 349a lid 2 en 3 Fw voorziene mogelijkheid van verlenging van de termijn van de schuldsanering met name heeft beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting is gerechtvaardigd dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn. In dergelijke gevallen kan verlenging van de termijn ertoe dienen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen te herstellen. In het licht van deze bedoeling van de wetgever verdient aanbeveling dat de rechter die de termijn van de schuldsanering verlengt, zich in zijn beslissing niet ertoe beperkt de duur van die verlenging te bepalen, maar ook preciseert welke in het algemeen uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden. Een vonnis tot verlenging van de duur van de schuldsanering zal dus voortaan een extra rechtsoverweging van die strekking moeten bevatten. Dat geeft meer duidelijkheid omtrent de vraag of alleen de boedelafdrachtverplichting doorloopt gedurende de verlenging, of ook de andere hoofdverplichtingen zoals de inlichtingenplicht, de sollicitatieplicht en de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te maken.

Antwoord op eerste prejudiciële vraag.

In antwoord op de eerste prejudiciële vraag overweegt de Hoge Raad als volgt.
De tekst van art. 349a lid 2 en 3 Fw sluit niet uit dat de beslissing tot verlenging van de schuldsanering wordt genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt. In de tweede plaats pleit de bedoeling van de wetgever ervoor om aan te nemen dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsanering kan worden genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt. Het is immers niet uitgesloten dat het late tijdstip waarop de rechter in staat is die beslissing te nemen, het gevolg is van omstandigheden waarop de schuldenaar – bij uitstek degene in wiens belang de mogelijkheid van verlenging in de wet is opgenomen – geen invloed kan uitoefenen. In de derde plaats volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw weliswaar van rechtswege tot gevolg heeft dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsanering regelt – de schuldsanering eindigt, maar dat dit aflopen niet meebrengt dat de schuldsaneringsregeling ook overigens is geëindigd, aangezien beëindiging daarvan dient te geschieden met inachtneming van de art. 352-356 Fw (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226; HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5760; HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890, NJ 2012/636; HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1411, NJ 2013/305). Hiermee strookt om aan te nemen dat de beslissing tot verlenging van de termijn kan worden genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt, maar de schuldsanering nog niet met inachtneming van de art. 352-356 Fw is beëindigd. Het verdient aanbeveling dat de procedure die kan leiden tot verlenging van de termijn zo tijdig wordt aangevangen dat de beslissing hieromtrent binnen de termijn van art. 349a lid 1 Fw kan worden genomen.

Antwoord op tweede prejudiciële vraag.

In antwoord op de tweede prejudiciële vraag overweegt de Hoge Raad als volgt.
Uit de geciteerde rechtspraak volgt dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat voor de toepassing van afdeling 2 van titel III Fw – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsanering regelt – de schuldsanering eindigt. Dat geldt ook indien na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt, op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw nog moet worden beslist omtrent de verlenging van de termijn. De in afdeling 2 van titel III Fw voorziene gevolgen van de schuldsanering worden opnieuw van toepassing vanaf het moment waarop de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsanering onherroepelijk is geworden.
Dit brengt mee dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de schuldsanering, niet gelden in de periode tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn.
Bij de beoordeling van de verlenging mag de rechter niet enkel betrekken hetgeen zich heeft voorgedaan gedurende de termijn van art. 349a lid 1 Fw. De rechter is gehouden om in dit verband acht te slaan op alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de gedragingen van de schuldenaar in de periode tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop wordt beslist omtrent de verlenging van de termijn. De omstandigheid dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat de schuldsanering eindigt voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw, staat daaraan niet in de weg.

Verlengen mag ook na materiële termijn

Het arrest van de Hoge Raad geeft de rechter de nodige vrijheid bij de verlenging, met als formeel argument dat de schuldsanering nog steeds loopt. Die extra kans lijkt ook in het belang van de saniet, die anders na drie jaar de schone lei onthouden moet worden omdat de nakoming van de verplichtingen niet goed is geweest. Verlengen is vaak de minder zware sanctie ten opzichte van het onthouden van de schone lei. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat het niet uitgesloten is dat het late tijdstip waarop de rechter in staat is een verlengingsbeslissing te nemen, het gevolg is van omstandigheden waarop de saniet – in wiens belang de verlenging bestaat – geen invloed kan uitoefenen. Dat “niet uitgesloten zijn” lijkt nogal zwak uitgedrukt, want de schuldenaar heeft als regel geen enkele invloed op het tijdstip van een verlengingsbeslissing. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de bewindvoerder relatief laat zijn eindverslag indient, of dat de eindbeoordeling sowieso door agendatechnische perikelen niet meer binnen de driejaarstermijn op een terechtzitting gepland kon worden.

Schuldsaneringsverplichtingen uit de tweede afdeling

Iets moeilijker is het tweede prejudiciële antwoord. De verplichtingen die voor de saniet op grond van de tweede afdeling voortvloeien uit de schuldsanering, gelden niet in de periode tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn. Uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het aflopen van de materiële termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat de toepassing eindigt van de tweede afdeling van titel III. Daarin staat een groot aantal (rechts)gevolgen vermeld van de schuldsanering. Bijvoorbeeld dat de schuldenaar beschikkingsonbevoegd wordt en dat hij (ondanks zijn handelingsbekwaamheid) toch de toestemming van zijn bewindvoerder nodig heeft voor het verrichten van een aantal bijzondere rechtshandelingen, dat hij van rechtswege ontslagen is uit een eventuele lopende gijzeling, dat wettelijke en contractuele rente niet verschuldigd is, dat (voor de bestaande schuldenlast) de nutsvoorzieningen en de huur in beginsel moeten worden gecontinueerd door de wederpartij, dat er een verrekeningsbeperking geldt, dat er allerlei artikelen uit de faillissementstitel van overeenkomstige toepassing zijn etc. Al deze bijzondere wettelijke regels gelden ineens niet meer zodra de materiële termijn verstreken is. Maar deze regels herleven ook direct weer zodra de rechter alsnog een verlengingsbeslissing neemt. Als de verlengingsbeslissing pas na drie jaar valt, gelden dus gedurende een korte periode (bijvoorbeeld een paar weken) de Wsnp-verplichtingen niet meer, en daarna weer wel.

Verplichtingen niet meer nakomen omdat dat strikt gezien niet hoeft, verkleint kans op verlenging

Verder oordeelt de Hoge Raad dat de rechter niet alleen in zijn verlengingsbeslissing moet meenemen wat er tijdens de materiële drie jaar is voorgevallen. Omdat de verplichtingen na die drie jaar voor de saniet ophouden te bestaan zou men kunnen menen dat het dus die periode is die beoordeeld wordt. Dat die verplichtingen niet meer gelden voor de saniet moge formeel juist zijn - toch doet hij er goed aan om ze na te leven, wil hij een kans op een verlenging maken.
“De rechter is gehouden om in dit verband acht te slaan op alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de gedragingen van de schuldenaar in de periode tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop wordt beslist omtrent de verlenging van de termijn. De omstandigheid dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat de schuldsanering eindigt voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw, staat daaraan niet in de weg.”
Per direct ophouden met solliciteren en meteen nieuwe schulden maken levert natuurlijk een sterke contra-indicatie op. Bedacht moet worden dat een verlenging alleen aan de orde komt in een twijfelgeval, waarin de afgelopen drie jaren niet vlekkeloos verlopen zijn. De saniet moet een verlengingskans “verdienen” en doet er dus verstandig aan om zich een goed saniet te tonen. De rechter kan uit eventueel negatief gedrag in de “korte tussenperiode” iets afleiden omtrent de mentaliteit van de schuldenaar en zijn bereidheid om zich in te spannen ten behoeve van zijn schuldeisers en alsnog de schone lei te verdienen.
Het arrest geeft zeker meer richting, maar lijkt al met al toch een wat ingewikkelde regel voor de rechtspraktijk. Een alternatieve oplossing zou zijn geweest dat de Hoge Raad had geoordeeld dat “een redelijke uitleg van de wet vergt” dat – mede met het oog op de belangen van de schuldeisers en met het oog op de toezichthoudende taak van de bewindvoerder – de schuldsaneringsverplichtingen en de rechtsgevolgen uit de tweede afdeling van titel III onverkort doorlopen, ook in de periode tussen het materiële einde van de termijn en de verlengingsbeslissing.

 

Last modified on donderdag 26 februari 2015 21:04

Leave a comment