Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

maandag 03 november 2008 00:00

“De WSNP kan de prullenbak in”

Geschreven door  I.P. van Rossen
Rate this item
(0 stemmen)

“De WSNP kan de prullenbak in”

De heer Jaarsma is voorzitter van de NVVK sinds 3 maart 2005. Waar hij kan bepleit hij de noodzaak van maatschappelijke en financiële verantwoorde dienstverlening ter voorkoming van financiële problemen. In de media, op congressen, seminars en in de politiek laat hij de stem horen van de NVVK. Professionalisering, uniformering en kwaliteitsverbetering waren bij zijn aantreden de speerpunten van zijn visie en dat heeft hij waargemaakt. Wat de voortdurende overwegingen zijn bij het realiseren van deze doelstellingen mag dan niet onuitgesproken blijven. In een uitgebreid interview deelt de heer Jaarsma zijn visie op de schuldenproblematiek in Nederland. Het blijkt dat de heer Jaarsma dan niet wars is van prikkelende uitspraken..

De schuldenaar
In het verleden zei de NVVK “Iedere schuldenaar is hetzelfde”. Dat resulteerde in een hele strakke gedragscode waar de schuldenaar door heen getrokken werd. Als je nu kijkt naar de schuldhulpverlening nieuwe stijl gaan we uit van maatwerk waarbij ruimte is gegeven aan de, al langer bestaande gedachte, dat iedere klant een individu is met een eigen ontstaanshistorie van de schulden en eigen samenstelling van de onderliggende problematiek. Grosso modo heeft ca. 20% alleen een financieel-technisch probleem, bij 80% is er sprake van allerhande samengestelde problematiek zoals psycho-sociale problemen, verslavingsproblematiek en andere soorten problematiek. Die eerste groep van ca. 20% is relatief makkelijk te helpen. Voor die andere groep is het bij de schuldhulpverlener van belang die samengestelde problematiek te onderkennen zodat allerlei flankerende hulp ingezet kan worden. Dat vergt andere, en uigebreidere, vaardigheden van een schuldhupverlener. De NVVK komt daarmee tot de slotsom dat dè schuldenaar niet bestaat.

Schuldhulp en wetgeving
Het verengen van schuldhulpverlening tot alleen oplossen van het financiële probleem, enigszins zoals dat binnen de WSNP plaatsvindt door de bewindvoerder, zou alleen die 20%-groep die ik eerder noemde helpen, maar zeker niet de 80%-groep. In die zin slaat bijvoorbeeld de commissie Kortmann, die een mogelijk toekomst-scenario schetst in haar voorontwerp Insolventiewet, vollédig de plank mis. Zij brengt de schuldenproblematiek, nog meer dan nu het geval is binnen de WSNP, terug tot een financieel-technisch probleem. Zij heeft geen enkel oog voor alle andere sociale problemen die samenhangen met deze problematiek. De commissie Kortmann beschrijft enkel de weg uit de schuldenproblematiek op de financieel-technische manier. Haar introductie van een zogeheten schuldbegeleider zonder de beschrijving van de werkzaamheden van een dergelijke schuldbegeleider versterkt dat effect alleen maar. De commissie Kortmann had noch de kennis, noch de interesse voor integrale schuldhulpverlening. Overigens had wat de NVVK betreft de hele WSNP niet in de faillissementswet terecht moeten komen. Het enige wat de schuldhulpverlening in de jaren 90 nodig had was een moratorium en een dwangakkoord; het moratorium om tijd te kopen en het dwangakkoord om een weigerachtige crediteur tot medewerking te dwingen. Inmiddels weten we dat als je die wens voorlegt bij het ministerie dat de ambtenaren en juristen ermee op de loop gaan en met een extra titel III in de Faillissementswet komen. Het was tot 1 januauri 2008 nodig te wachten tot de vernieuwde WSNP in werking trad. Pas toen, voilà, het moratorium en het dwangakkoord. Gelukkig! Voor het minnelijk traject is meer dan dat ook niet nodig. De rest kan de prullenbak in. Wat ons betreft doet Kortmann uitstekend werk voor titel I en II van de Faillissementswet; dat is immers al meer dan honderd jaar oude wetgeving en kan dus een vernieuwing wel gebruiken. Maar haal titel III helemaal uit de faillissementswet en breng het moratorium en het dwangakkoord ergens in een passende wet onder. Het minnelijk traject is dan, in juridische zin, klaar voor gebruik.
De ons omringende landen kijken jaloers naar Nederland voor de wijze waarop de schuldhulpverlening is geregeld vooral vanwege het feit dat wij rekening houden met de sociale componenten in de schuldenproblematiek, terwijl het bij ons omringende landen vooral een financieel-technisch traject is. Bij ons is al sinds de jaren 80 bekend dat die enkele benadering als financieel-technisch probleem niet genoeg is, de integrale benadering en oplossen van de oorzaken bepalen de uiteindelijke effectiviteit. Dat doen ze in de rest van Europa niet, Nederland is het enige land dat in uitvoerende zin ruimte geeft aan de integrale benadering.

De gemeenten
Op 15 september jl. heeft staatssecretaris Aboutaleb het rapport “Schulden? De gemeente helpt!” aangeboden aan de Tweede Kamer. Het betreft een rapport over de effectiviteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening en het concludeert dat gemeentelijke schuldhulpverlening in een kwart van de gevallen effectief is. De NVVK plaatst een drietal opmerkingen bij dit rapport.
Allereerst is het een probleem dat van tevoren niet omschreven was wat effectieve schuldhulpverlening is. De NVVK heeft, door middel van haar deelname aan een klankbordgroep tijdens dit onderzoek, voortdurend aandacht gevraagd voor de gehanteerde definitie van effectieve schuldhulphulp. Als je dat vooraf niet definieert kun je achteraf daarover geen uitspraken doen. Deze uitspraken zijn toch gedaan en daar is de NVVK het dus niet mee eens. Overigens moet je wel constateren dat vier jaar geleden in ca. 9% van de gevallen sprake was van effectieve schuldhulpverlening en dat er dus sindsdien een behoorlijke slag is gemaakt! Het postitieve van het onderzoek vinden wij dat je de uitslag van het onderzoek wel kunt beschouwen als een nulmeting van waaruit de toekomstige ontwikkeling van de schuldhulpverlening gemeten kan worden. Deze zal absoluut verhogen vanwege de schuldhulpverlening nieuwe stijl volgens welke manier van werken steeds meer NVVK leden werken. Omschrijving van de effectiviteit van de schuldhulpverlening volgens de methodiek van het bovenvermelde onderzoek doet naar onze mening wel zwaar tekort aan de werkzaamheden die de NVVK doet aangezien klanten ook geholpen worden met budgetbeheer, stabiliseren, herfinanciering of doorverwijzing naar de WSNP. Ik had om die reden veel liever gezien dat er een meting van het aantal uìtvallers had plaatsgevonden. In vier jaar tijd zijn wij van een uitval van 52% naar 31% verbeterd. De verwachting met de werkwijze nieuwe stijl is dat dit getal onder 20% zal komen. De benadering zou dus moeten zijn dat 80 tot 85% van de mensen die aankloppen worden geholpen; ook al is dit via veel verschillende produkten, dus niet alleen via schuldbemiddeling of saneringskrediet!
Als tweede opmerking bij dit onderzoek constateren wij dat het een aanzet geeft tot ontwikkeling van een uitgebreid moratorium dat een geldigheid heeft naar alle schuldeisers en niet alleen naar de woningbouwverenigingen en energiebedrijven. Dat beschouwen wij als zeer positief. De juridische haalbaarheid van een dergelijk moratorium, ook in Europees verband, is nog wel een groot vraagteken. Een dergelijk moratorium moet ook geen aanzuigende werking hebben naar bijvoobeeld berekenende burgers die, in de wetenschap dat als het water teveel tot aan lippen komt zij kunnen aankloppen bij schuldhulpverlening, onverantwoord financieel gedrag gaan vertonen. Binnen de schuldhulpverlening nieuwe stijl kijken wij overigens wel in toenemende mate naar de kwaliteit en mate van medewerking van een klant. Natuurlijk wil iedere klant van zijn schulden af, alleen.. hij zal er dingen voor moeten laten staan. In het maatwerk van de schulhulp nieuwe stijl moeten wij met de klant in gesprek zodat hij ìnziet dat hij van bepaalde zaken afstand moet doen. Die benadering, zo zien wij op de plaatsen waar de schuldhulpverlening nieuwe stijl is geïntroduceerd, is uiterst succesvol en brengt de uitval onder de 20%. In de verklaring van uitval van de resterende 20% is een deel besloten in verhuizing buiten het verzorgingsgebied van de schuldhulpverleningorganisatie. Van het resterende deel moet je uiteindelijk constateren dat deze klanten, ook na vier, vijf gesprekken om ze te bewegen tot een andere keuze, eenvoudigweg niet wìllen. Op dat moment houdt het op iets voor die klant iets te kunnen betekenen. De stelregel van de NVVK ten aanzien daarvan is: “Recidivisme daar doen wij niet aan”. Eén keer helpen wij iemand, hulp voor een tweede keer vindt alleen plaats wanneer iemand een onweerlegbare verklaring voor verandering ten opzichte van de vorige keer heeft. Een aangekondigde energie-afsluiting of zelfs uithuisplaatsing is niet zo'n reden! Zo'n tweede poging zal dan wel plaatsvinden onder nog striktere condities.
Als derde opmerking over het gemeente onderzoek is de ambitie de wachtlijst problematiek op te lossen en de garantie dat iemand die zich aanmeldt bij de gemeente binnen twee weken op een intake-gesprek moet kunnen komen. Dat vinden wij als NVVK ook. De Staatssecretaris en de Gemeenten zullen daar ongetwijfeld nog een financieel robbertje over vechten. Naar onze opvatting is het dan wel zo dat bepaalde politieke keuzes voor besteding van het geld geen effect mogen hebben op de wachtlijsten. Ik bedoel daarmee dat, wanneer het geld voor de schuldhulpverlening bijvoorbeeld in september “op” is, mensen die zich na die periode aanmelden pas in januari, wanneer er weer geld is, aan de beurt zijn. Het is natuurlijk ook bij ons niet onopgemerkt gebleven dat uit het onderzoek blijkt dat de gemiddelde wachttijd lang niet zo hoog is als door sommige partijen in de markt gesuggereerd wordt. Hoge wachttijden en lange wachtlijsten zijn, gelukkig, incidenten. Daar is het natuurlijk wel meteen schrijnend! Die problematiek moeten wij dan ook wel meteen heel hard aanpakken zodat het mankeren van de individuele gemeente niet afstraalt op alle gemeenten of negatief afstraalt op de problematiek.

“Polderen”
Op dit moment zijn de contacten tussen de verschillende geledingen van de schuldenproblematiek, dat wil zeggen de schuldeisers, de NVVK, maatschappelijke organisaties en gemeentelijke vertegenwoordigers als goed te omschrijven. Dat wil niet zeggen dat gelijktijdig dit contact zich ook vertaald in een betere communicatie van de verschillende achterbannen. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het aparte karakter van schuldhulpverlening. Enerzijds zijn wij een gratis incassobureau voor de schuldeisers in situaties waar geen cent meer te halen valt, anderzijds, zo ervaren in ieder geval sommige schuldeisers dat, als wij om de hoek komen kijken moet schuldeisers altijd een deel van hun vordering laten schieten en dan nog meestal het grootste gedeelte! Dat levert in de praktijk spanning op. Daarnaast zijn het juist altijd de zwaarste gevallen die terechtkomen bij de NVVK leden. Dit versterkt voor sommige schuldeisers nog extra de indruk dat zij nooit een hoog bod krijgen. Dan wordt weleens vergeten dat het alternatief niet méér ontvangen is maar niet meer ontvàngen is. De perceptie van de schuldeiser zelf kan dus ook nog wel verschillen.
Daarop aansluitend zijn wij in zijn algemeenheid tevreden over dat wat in de certificering ligt. Omdat wij in het overgrote deel van de besproken onderwerpen onze werkwijze bevestigd zien.

VTLB
Staatssecretaris Aboutaleb maakt in zijn brief aan de Tweede Kamer melding van het voornemen een digitale berekeningstool te ontwikkelen voor berekening van de beslagvrije voet. Ook hij constateert dat de RECOFA methode voor het berekenen van het Vrij Te Laten Bedrag lastig is. Voor eenvoudige leefsituaties is de methode weliswaar goed te hanteren maar zodra de leef/werksituatie moeilijker wordt doet zich al snel de situatie voor dat 10 verschillende bewindvoerders tot 10 verschillende uitkomsten van deze methode komen. Dat is vanzelfsprekend ongewenst en je zou je moeten afvragen of er in het minnelijk traject niet tot een eenvoudiger methodiek gekomen moet worden. De RECOFA methode houdt weliswaar overal rekening mee maar dat maakt het meteen ook te complex. De complexiteit van de RECOFA methode staat de praktische toepassing in het minnelijk traject in de weg. Bovendien is er, bij gebruikmaking van deze methode in het minnelijk traject, de onmogelijkheid om, zoals de NVVK anderhalf jaar geleden introduceerde, in geval van een nihil of negatieve afloscapaciteit tóch 5% procent afloscapaciteit aan te wenden voor aflossing. Vervolgens moet je natuurlijk ook constateren dat werkelijk iedere berekening die je verzint ten allen tijde discutabel blijft.

Het vak schuldhulpverlening
Schuldhulpverlening is een beroep, een vak! Een vak dat je, op dit moment althans, nergens kunt leren behalve in de praktijk! Als het bij je past is het een geweldig en uitdagend vak waar je lange tijd je werkplezier in kunt vinden. Je moet wel om kunnen gaan met de constante stroom van nieuwe klanten, alle problematiek die klanten over je heen storten en die je moet kunnen objectiveren. Enerzijds vergt het werk groot empathisch vermogen, anderzijds moet je het van je af kunnen zetten. Dat allemaal maakt dat het echt een vak is! De certificering zal er nog extra voor zorgen dat de werkzaamheden van een schuldhulpverlener tot een nog hoger niveau getild zal worden. Het is wel belangrijk voor een schuldhulpverlener zich te realiseren dat hij een intermediair is tussen klant en zijn schuldeisers. Eigenlijk bevindt de schuldhulpverlener zich op het snijvlak van dienstverlening en hulpverlening. Je ziet per schuldhulpverlener dat het accent meer op het ene of meer op het ander vlak ligt. De ideale schuldhulpverlener die precies op dat snijvlak zit bestaat niet, maar kan bijvoobeeld wel gezocht worden in de groep van maatschappelijk werkers die de hulpverlening te soft vonden of de financiële dienstverleners die het produkt te commercieel vonden. Hoe meer zij op het midden van de snijvlakken zitten des te beter zij als intermediair kunnen optreden.
De NVVK, als branchevereniging, vertegenwoordigt eerst en vooral de belangen van de schuldhulporganisáties en niet zozeer van de schuldhulpverléners. Wij worden door de politiek en ook wel door de buitenwereld gezien als de branchevereniging van mensen met schulden, maar duidelijk niet als de branchevereniging van de schuldhulpverlener. Misschien wordt het wel eens tijd om een beroepsorganisatie voor, straks gecertificeerde, schuldhulpverleners op te zetten. Ik zie die rol niet per se voor de NVVK weggelegd aangezien ik de belangen van de schuldhulpverleners en de belangen van de organisaties gescheiden zie.

Tenslotte
Schulden ontstaan als je het budget niet in balans hebt. Het grootste gedeelte van Nederland stelt voor zichzelf geen budgetplan op. Bij de meeste mensen leidt dat gelukkig niet tot problemen; zij hebben voldoende buffer of reserve om in geval van problemen dit financieel op te vangen. Van de ca. 50.000 mensen die zich per jaar bij de schulhulpverlening aanmelden hebben de meeste mensen voor zichzelf ook geen budgetplan opgesteld. Zij constateren op enig moment enkel dat de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten en komen vervolgens tot verkeerde keuzes. Vaak hebben deze mensen zelfs niet het besef dat zij verkeerde keuzes maken eenvoudigweg omdat zij niet het plaatje duidelijk voor ogen hebben wat hun inkomsten zijn, wat hun uitgaven, welke schulden zij hebben en wat zij over houden voor andere bestedingen dan hun vaste lasten. Mijn advies aan hen zou zijn: “Maak nou voor jezelf een budgetplan!” Dus ook ná het traject van de schuldhulpverlening. De spreekwoordelijke spaarzaamheid van veertig jaar geleden moet weer opgepakt worden. Dan kun je ook weer sparen in plaats van lenen.

Last modified on dinsdag 13 januari 2015 13:25

Leave a comment