Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

vrijdag 28 november 2014 20:27

Sollicitaties moeten verifieerbaar zijn. En wat is de status van de Recofa-richtlijnen ?

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 april 2014 ECLI:NL:GHARL:2014:3444


Delete: weet U het zeker ? Wat moet de bewindvoerder aan met een saniet die zegt dat ze haar sollicitaties per e-mail heeft verwijderd ? Die brengt zichzelf met deze schoonmaakactie in een onmogelijke bewijspositie, want het is aan de saniet om aan te tonen dat (desnoods gemiddeld) vier maal per maand schriftelijke sollicitaties zijn verricht. De sollicitatieplicht werd in deze zaak van het Hof Arnhem-Leeuwarden in volle omvang ter discussie gesteld, ook wat de bron betreft in de Recofa-richtlijnen. Want in de Faillissementswet zelf is gek genoeg niks te vinden over inspanningen en sollicitaties, terwijl het “voor wat hoort wat” toch een (de ?) kernverplichting is in de schuldsaneringsregeling.
Die sollicitaties moeten trouwens ook nog van een voldoende kwalitatief en doelgericht niveau zijn, en niet alleen op het eigen vakgebied. Dus bijvoorbeeld niet onleesbare handgeschreven en ongedateerde of niet traceerbaar geadresseerde (“aan de Rijksoverheid”) krabbels indienen. Of opzettelijk slechte brieven schrijven (“Hallo heb u makkelijk werk voor mijn wat goed verdient en waar ik mijn niet al te vroeg hoef te melden ?”) in de hoop dat geen enkele werkgever daar enthousiast van wordt. Of solliciteren op een vacature voor hoogleraar sterrenkunde als men over een MBO niveau beschikt. Het Hof Arnhem-Leeuwarden was in deze zaak genoodzaakt om de sollicitatieplicht eens onder de loep te leggen.

 

Sollicitatieplicht en Recofa-richtlijnen

Uitsluitend verifieerbare en behoorlijke sollicitatie activiteiten zijn acceptabel in het kader van de inspanningsplicht, aldus het Hof. Dat saniet in het zicht van de tussentijdse beëindigingszitting een baan heeft gevonden is de bewindvoerder in deze zaak niet bekend, en kan voor de boedel niet het verzuim goedmaken van de hele periode daarvoor. Dat zij geen bewijsstukken van gestelde sollicitaties kan tonen is haar aan te rekenen, zeker gelet op de vele instructies en waarschuwingen die zij in dit verband heeft gekregen. De saniet bestreed ook de mate van detail van de sollicitatieplicht die zoals bekend niet uit de Faillissementswet voortvloeit, maar is uitgewerkt in paragraaf 3.5 van de Recofa-richtlijnen. Volgens saniet hebben deze richtlijnen niet de status van wetgeving. Die bewering is op zichzelf juist: het is geen wettelijke norm. Het Hof oordeelt echter dat de richtlijnen zijn opgesteld om binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling gelijke gevallen gelijk te behandelen en dus om willekeur te voorkomen. Men kan de richtlijnen ook goed beschouwen als “gestolde rechtspraak”. In individuele gevallen kan ervan afgeweken worden, maar gesteld noch gebleken is volgens het Hof dat appellantes situatie in relevante mate afwijkt van de situatie waarin de gemiddelde saniet zonder werk zich bevindt. Het Hof toetst dus wel degelijk – zoals Recofa-richtlijn 1.8 ook aangeeft – of dit specifieke geval inderdaad langs de lat van de richtlijn kan worden beoordeeld, of dat er soms een reden voor afwijking is. Dat is immers precies zoals het van de Hoge Raad moet. Het hoogste rechtscollege had in 2011 een vermanende vinger opgestoken in een geval waarin een alimentatiezaak “standaard” volgens een Recofa-richtlijn werd berecht (HR 18 november 2011, LJN BU4937, NJ 2012, 127, Tijdschrift voor Schuldsanering 2012-3, noot 365). Dat mag niet, want dan wordt het een automatisme, dat onvoldoende recht doet aan de rechterlijke taak, die onder andere bestaat uit het telkens weer waarderen van de bijzondere feiten en omstandigheden: Met het uitgangspunt van rechterlijke beleidsvrijheid is niet verenigbaar – aldus de Hoge Raad in 2011 – dat rechters-commissarissen via een Recofa-richtlijn stelselmatig en zonder acht te slaan op de omstandigheden van het geval, voor schuldenaren op wie onderhoudsverplichtingen jegens minderjarige kinderen rusten, het vrij te laten bedrag (standaard) verhogen met het bedrag waarop de alimentatie is vastgesteld. Met andere woorden: prima dat er een richtlijn is om meer houvast te bieden, maar dat ontslaat de rechter niet van de plicht om iedere zaak afzonderlijk inhoudelijk te beoordelen. Terug naar het Hof van Noord-Oost-Nederland in 2014 : Hoe lagen de feiten in deze zaak precies ?

 

De Feiten.

Bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden, van 13 september 2011 is ten aanzien van A de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij beschikking van de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 mei 2013, is de looptijd van de schuldsaneringsregeling verlengd met een termijn van 16 maanden, zodat deze zal eindigen op 13 januari 2016. Bij vonnis van 29 oktober 2013 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd. Bij beroepschrift heeft A verzocht dat de schuldsaneringsregeling van toepassing blijft. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2014, waarbij A is verschenen, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de bewindvoerder.
De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd op grond van het oordeel dat zij niet voldoet aan haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Fw). De rechtbank is namelijk van oordeel dat zij onvoldoende heeft gesolliciteerd. Dit valt haar ook toe te rekenen. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat de
bewindvoerder schriftelijk meerdere malen heeft uiteengezet hoe zij diende te
solliciteren (op verifieerbare wijze) alsook de vereiste frequentie. A had naar het oordeel van de rechtbank alle reden om haar e-mails goed te bewaren. Niet alleen ter vermijding van discussie tussen haar en de bewindvoerder, maar ook aangezien tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris ondubbelzinnig naar voren is gebracht dat zij aantoonbaar diende te solliciteren. Ter gelegenheid van het verhoor bij de rechter-commissaris is tevens expliciet besproken dat alleen verifieerbare sollicitatie-activiteiten acceptabel zijn. Dat A deze bewijzen heeft verwijderd — wat hier overigens ook van zij - is een actie die de rechtbank dan ook niet kan volgen. De twijfel die wederom is gerezen met betrekking tot de vraag of A voldoende heeft gesolliciteerd, had A immers eenvoudig kunnen ontzenuwen, als zij deze e-mails had opgeslagen in plaats van deze te verwijderen. Door dit na te laten heeft A het risico aanvaard dat zij de schijn dat zij de sollicitatieverplichting niet correct is nagekomen, die thans wederom is gewekt, niet kan wegnemen. Nu A de bewindvoerder niet informeert en de inspanningsverplichting structureel onvoldoende is nagekomen is de rechtbank van oordeel dat dit een aanwijzing vormt dat bij A de van haar te vergen medewerking voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen feiten of omstandigheden aangevoerd dan wel gebleken waaruit afgeleid kan worden dat de inspanningsverplichting niet van A gevergd kon worden.

Appellante stelt zich op het standpunt dat zij wel aan haar verplichtingen voorvloeiende uit de schuldsaneringsregeling heeft voldaan. Zij voert aan dat zij veelvuldig heeft gesolliciteerd. Zij erkent dat zij niet alle sollicitaties kan aantonen, maar benadrukt dat het solliciteren wel heeft plaatsgevonden en met succes. Zij heeft sinds ruim drie weken een baan. De bewindvoerder heeft ter zitting van het hof verklaard dat de sollicitatieverplichting de zwaarste en belangrijkste inspanningsverplichting binnen de schuldsaneringsregeling is. Anderzijds is deze verplichting ook het eenvoudigst na te komen: verwacht wordt dat er viermaal per maand aantoonbaar een sollicitatie wordt verricht. Dit is aan A meermalen, zowel schriftelijk als mondeling, gemeld en zij blijft nalaten aan deze verplichting te voldoen. Dat zij thans een baan zou hebben is de bewindvoerder niet bekend, maar los daarvan stelt hij dat de benadeling van de schuldeisers in de afgelopen periode daarmee niet kan worden gecompenseerd.

 

Wat vindt het Hof ?

Het Hof stelt voorop dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Naar het oordeel van het hof heeft A niet aan deze verwachting voldaan. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, met name de verplichting om ten minste viermaal per maand aantoonbaar te solliciteren. De tekortkoming is bovendien van zodanige ernst dat zij dient te leiden tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Immers, door zich niet in te spannen om inkomen uit arbeid te verkrijgen, heeft A de schuldeisers benadeeld. Dat A thans een baan zou hebben - waarvan overigens ieder bewijsstuk ontbreekt - maakt het oordeel van het hof niet anders. Haar stelling dat de vacatures in haar woonplaats dun gezaaid zijn, vormt geen reden om niet te voldoen aan de sollicitatieverplichting. Er zijn immers meerdere mogelijkheden buiten de woonplaats en wellicht andersoortige vacatures waarop zij had kunnen reageren.
Dat zij geen bewijsstukken van gestelde sollicitaties kan tonen is haar aan te rekenen, zeker gelet op de vele instructies en waarschuwingen die zij in dit verband heeft gekregen. A blijft van mening dat zij wel heeft voldaan aan de sollicitatieplicht, zij het wellicht niet altijd viermaal per maand, maar wel in voldoende mate. Ook ter zitting van het hof leek A nog niet doordrongen van het feit dat het - in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling - niet aan de saniet is om te bepalen of en hoe vaak zij solliciteert. Het hof is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat dit een aanwijzing vormt dat bij appellante de van haar te vergen medewerking voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.

Namens appellante is nog gewezen op het feit dat de zogenoemde Recofa richtlijnen niet de status van wetgeving hebben. Uit de jurisprudentie en de literatuur volgt dat het niet wenselijk is dat ten aanzien van de sollicitatieverplichting verschillende instanties verschillende voorwaarden hanteren. Dit klemt temeer, aldus de advocaat, nu de uitkering van appellante nimmer is gekort of stopgezet, waaruit al blijkt dat appellante haar sollicitatieverplichting in het kader van de haar toegekende WWB-uitkering goed nakomt. Het hof volgt appellante niet in die stelling. De Wsnp-regeling heeft haar eigen doelstelling en brengt in dat kader haar eigen verplichtingen met zich. De richtlijnen van Recofa beogen binnen deze regeling gelijke behandeling van gevallen. Gesteld noch gebleken is dat appellantes situatie in relevante mate afwijkt van de situatie waarin de gemiddelde saniet zonder werk zich bevindt. Haar stelling betreffende beperkte sollicitatiemogelijkheden heeft het hof hierboven reeds verworpen.
De richtlijnen van Recofa zijn opgesteld om willekeur te voorkomen en saniet en bewindvoerder houvast te bieden. Er is vrijheid om in de individuele gevallen van de richtlijnen af te wijken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof hiertoe geen aanleiding.
Dat A mogelijk in het kader van de WWB haar (sollicitatie-)verplichtingen wel is nagekomen, maakt het oordeel van het hof dan ook niet anders, nog daargelaten dat van de gestelde sollicitaties (ook in het kader van de WWB) elk bewijsstuk ontbreekt. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

Last modified on vrijdag 28 november 2014 21:10

Leave a comment