Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

maandag 18 augustus 2014 14:08

Verkorting looptijd schuldsanering

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)

Rechtbank Den Haag 27 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:7671

Na een faillissementsperiode van twee en een half jaar wordt de schuldenaar alsnog toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De schuldenaar verzoekt een aantal weken na deze omzetting aan de rechter-commissaris een verkorting van de looptijd van de schuldsanering, en wel zodanig dat de periode dat hij in staat van faillissement heeft verkeerd wordt afgetrokken van de looptijd van de schuldsanering. Subsidiair verzoekt de schuldenaar ter terechtzitting een termijnaftrek met een kortere periode dan die van het faillissement. Dit verzoek van de saniet tot termijnreductie wordt met een principiële redenering afgewezen. De belangen van de schuldeisers om zoveel mogelijk van hun schulden betaald te krijgen prevaleren boven het belang van de schuldenaar om zo snel mogelijk een schone lei te krijgen. De saniet moet de schone lei letterlijk en figuurlijk “verdienen”. De Rechtbank ontleent steun aan Recofa-richtlijn 1.7.


Wat waren de feiten ?

Appellant is op 18 oktober 2011 failliet verklaard. Op 20 februari 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag de schuldsaneringsregeling uitgesproken onder opheffing van het faillissement. Het verzoek van X d.d. 2 april 2014 tot verkorting van de looptijd van zijn schuldsanering wordt door de rechter-commissaris afgewezen bij beschikking van 6 mei 2014. De saniet komt in hoger beroep tegen deze beschikking van de R-C bij beroepsschrift ex artikel 315 jo. 349a lid 2 Faillissementswet. Onderdeel van de stukken maken uit de zienswijze van (waarnemend) bewindvoerder en van de R-C, en een reactie van de advocaat van appellant. Bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep is de saniet, bijgestaan door zijn advocaat, verschenen en gehoord. De saniet verzoekt alsnog verkorting van de looptijd van de schuldsanering in die zin dat de periode dat hij in staat van faillissement heeft verkeerd wordt afgetrokken van de looptijd van de schuldsanering. Ter terechtzitting heeft saniet naar voren gebracht dat zonodig ook kan worden gedacht aan verkorting met een kortere periode.

Wat waren de overwegingen van de Rechtbank ?

De Rechtbank overweegt allereerst dat aan het verzoek het standpunt ten grondslag lijkt te liggen dat een periode waarin gedurende het faillissement aan de faillissementsboedel is afgedragen (welhaast) zonder meer dient te leiden tot verkorting van de looptijd van de schuldsanering met een gelijke periode. Immers, saniet stelt dat hij sinds 18 oktober 2011 voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het faillissement en de schuldsanering, en dat indien hij op 18 oktober 2011 direct tot de schuldsanering zou zijn toegelaten deze in beginsel op 18 oktober 2014 zou zijn geëindigd en dat niet valt in te zien waarom voor zijn schuldsanering een langere looptijd zou moeten gelden.
De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het verkorten van de looptijd van de schuldsanering een discretionaire bevoegdheid van de rechter-commissaris is. Anders dan de saniet klaarblijkelijk meent, legt de schuldsanering de schuldenaar eigen verplichtingen op en daar waar die verplichtingen overeenstemmen met die in een faillissementssituatie (van een natuurlijk persoon), zijn de gevolgen van het al dan niet nakomen van de verplichtingen in de schuldsanering anders. De schuldsanering is met name gericht op het doen ‘verdienen’ door de schuldenaar van een ‘schone lei’, terwijl in een faillissementssituatie de nadruk ligt op vereffening van de faillissementsboedel. Indien de saniet in zijn standpunt zou worden gevolgd, zou in zijn geval de looptijd van de schuldsanering automatisch worden beperkt tot acht maanden, terwijl de wetgever uitgaat van een looptijd die in beginsel drie jaar bedraagt.
Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat een ‘regulier’ verzoek tot toelating tot de schuldsanering dient te worden voorafgegaan door een minnelijk traject (artikel 285 lid 1, aanhef en sub f. Fw.) en dat een dergelijk traject doorgaans ook geruime tijd in beslag neemt. In die periode wordt veelal ook gespaard, welk spaarsaldo in de boedel valt en niet zonder meer tot verkorting van de looptijd leidt (Recofa-richtlijnen, 1.7 onder c). Er zijn geen (voldoende) bijzondere omstandigheden aangevoerd om anders te handelen indien aan de schuldsanering een faillissement is voorafgegaan.

Hoe luidde de beslissing ?

De rechtbank is van oordeel dat een periode waarin gedurende het faillissement aan de faillissementsboedel is afgedragen niet zonder meer dient te leiden tot verkorting van de looptijd van de schuldsaneringsregeling met een gelijke periode. De belangen van de schuldeisers om zoveel mogelijk van hun schulden betaald te krijgen dienen te worden afgewogen tegen het belang van appellant om zo snel mogelijk een schone lei te krijgen. Hierbij kan – zoals voortvloeit uit artikel 1.7 van de Recofa-richtlijnen – de omstandigheid dat een schuldenaar in een aan de schuldsanering voorafgaand faillissement het meerdere boven het in de schuldsanering geldende vrij te laten bedrag aan de boedel heeft afgedragen mede een rol spelen, maar dit is op zich niet van doorslaggevende aard. Het nakomen van de met de faillissementssituatie verband houdende verplichtingen is immers niet meer dan het nakomen van uit de wet voortvloeiende verplichtingen en is derhalve op zich niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid aan de zijde van de schuldenaar.

Schuldeisers hebben in beginsel recht op betaling van 100% van hun vorderingen en kunnen verlangen dat van de schuldenaar gedurende de schuldsanering een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning wordt gevergd. In dit geval is sprake, zo oordeelt de Rechtbank, van een aanzienlijke schuldenlast en hebben de afdrachten gedurende de faillissementsperiode, vanwege de faillissementskosten, niet geleid tot een boedelactief waaruit een noemenswaardige uitkering aan de schuldeisers mogelijk is. Saniet heeft (ook) thans een redelijke afdracht mogelijkheid, zodat bij handhaving van de driejaarstermijn voor de schuldsanering een aanzienlijk deel van de schuldenlast kan worden voldaan. Uitgaande van de recentelijk door de bewindvoerder becijferde afdrachtcapaciteit van circa € 220,- per maand (exclusief vakantiegeld) minus het bewindvoerderssalaris zal een driejarige schuldsaneringsperiode leiden tot een (netto) vermeerdering van het voor uitdeling in aanmerking komende boedelactief van circa € 7.500,- (inclusief vakantiegeld). De rechtbank is van oordeel dat dit – ook indien wordt uitgegaan van de door appellant gestelde schuldenlast – niet kan worden gekwalificeerd als een “verwaarloosbare meeropbrengst”, ook niet indien het merendeel van de schuldeisers “zakelijk” is.
Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat het belang van de schuldeisers bij handhaving van de driejaarstermijn zwaarder weegt dan het belang dat appellant heeft bij verkorting van die termijn. Het verzoek tot termijnverkorting wordt afgewezen.

Het termijnverkortingsverzoek procedureel

De rechter-commissaris is het juiste adres voor een dergelijk verzoek tot termijnreductie. Op de voet van artikel 349a lid 2 Fw kan de rechter-commissaris immers de termijn wijzigen, dat wil zeggen verlengen of verkorten. Diverse partijen kunnen hiertoe het initiatief nemen: de R-C kan het ambtshalve doen, het kan op verzoek van de bewindvoerder, maar ook op verzoek van de schuldenaar zelf of op verzoek van een schuldeiser. De wet bepaalt dat alleen in het geval de termijn verlengd wordt er een verplichting bestaat om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Ook de rechtbank is overigens bevoegd (zie lid 3) tot termijnwijziging. De beslissing van de rechter-commissaris om de termijn te wijzigen is een beschikking waartegen op grond van artikel 315 Fw hoger (“horizontaal”) beroep openstaat bij de Rechtbank. Dat is ook wat er in deze zaak gebeurde, want de rechter-commissaris wees het verzoek om een kortere termijn af.

De inhoudelijke afweging

De belangen van de schuldenaar en die van de schuldeisers botsen hier weer eens. Want de schuldenaar wil graag zo snel mogelijk een schone lei en heeft in dit geval al twee en een half jaar in staat van faillissement verkeerd en ziet daar nog eens drie jaar schuldsanering op volgen, terwijl de schuldeisers gebaat zijn bij een maximale opbrengst. Wanneer volstaat een kortere schuldsaneringstermijn ? De Rechtbank stelt voorop dat een periode waarin gedurende het faillissement aan de boedel is afgedragen niet zonder meer (zoals de saniet kennelijk van mening is) kan leiden tot verkorting van de looptijd met eenzelfde periode als het faillissement duurde. Het is dus zeker geen automatische aftreksom, want in beginsel duurt een schuldsanering gewoon drie jaren, en de schuldenaar moet de schone lei letterlijk en figuurlijk verdienen. Volgens Recofa-richtlijn 1.7 kan termijnreductie niet aan de orde zijn op de grond dat de schuldenaar voorafgaand aan de toelating tot de schuldsanering langere tijd in een minnelijk schuldhulptraject of een moratorium heeft gespaard. Termijnreductie is evenmin aan de orde indien afloscapaciteit van de schuldenaar in de periode voorafgaand aan de schuldsanering voor de aflossing van schulden is aangewend, bijvoorbeeld via een loonbeslag. Meestal komt dit laatste ook slechts ten goede aan een bepaalde schuldeiser zonder een verdeling met de overige schuldeisers.

Relevante meeropbrengst

Termijnreductie kan wel aan de orde zijn indien de schuldenaar in een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement of voorafgaande surseance het surplus aan de boedel heeft afgedragen boven het in de schuldsaneringsregeling geldende vrij te laten bedrag. In dit geval was volgens de Rechtbank sprake van een aanzienlijke schuldenlast en hebben de afdrachten gedurende de faillissementsperiode, vanwege de faillissementskosten, niet geleid tot een boedelactief waaruit een noemenswaardige uitkering aan de schuldeisers mogelijk was. Omdat de saniet een redelijke afdrachtcapaciteit heeft van tenminste € 220,- per maand zal een reguliere looptijd leiden tot een boedelactief van circa € 7500,- hetgeen voor de schuldeisers een relevante meeropbrengst betekent die niet zomaar met een kortere termijn teniet kan worden gedaan. Deze opbrengst is ook na aftrek van het bewindvoerderssalaris nog steeds substantieel te noemen. Er is hier dus ook zeker geen sprake van een geval als bedoeld in artikel 354a Fw (de vereenvoudigde schuldsaneringsprocedure). Want daarbij is het criterium dat de redelijke verwachting moet bestaan dat aan schuldeisers niet of nauwelijks enige uitkering kan worden gedaan. Bovendien kan dat traject pas worden ingeslagen nadat de schuldsaneringsprocedure minimaal een jaar op streek is.

Last modified on donderdag 28 augustus 2014 20:40

Leave a comment