Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

woensdag 30 juli 2014 21:04

Het vrijstellingsbesluit schuldbemiddeling; kun je er eigenlijk wel tegen zijn?

Geschreven door  I.P. van Rossen
Rate this item
(1 Stem)

Het kabinet heeft het voornemen de groep van (rechts-)personen die bevoegd zijn tot schuldbemiddeling per 1 januari 2015 uit te breiden. Naast de van oudsher bestaande groep bevoegden op grond van artikel 48 lid 1 sub a t/m c Wck zal dan ook aan private partijen de mogelijkheid geboden worden schuldbemiddeling, anders dan om niet, uit te voeren. Voor sommigen komt daarmee een lang gekoesterde opening in het gesloten bastion van gemeentelijke schuldbemiddeling. Voor anderen toont zich daarmee een schrikbeeld van doorbreking van de gemeentelijke hegemonie ter bescherming van de kwetsbare persoon. In de discussie toont zich daarbij niet altijd de zo broodnodige nuance in dit soort complexe juridische domeinen. Daar is de kwetsbare schuldenaar niet altijd mee geholpen.

 

Sinds de introductie van het verbod op schuldbemiddeling in 1983 is de discussie over de noodzaak van de Amvb die private partijen de gelegenheid zou moeten geven onder voorwaarden schuldbemiddeling tegen betaling uit te voeren een constante splijtzwam gebleken. De discussie is veelal zeer principieel gebleken. Daarbij valt op dat de aanleidingen die destijds als reden voor instellen van het verbod, namelijk het ontbreken van een garantie op het tot stand brengen van een regeling en de ongewenste versnippering van uitvoering van schuldbemiddeling, op dit moment als algemeen aanvaarde uitvoeringsnormen te gelden. Geen enkel gemeentelijk plan voor schuldhulpverlening zal een garantie opnemen dat een schuldbemiddeling succesvol zal zijn, terwijl de uitvoering van schuldhulpverlening in de ene gemeente weinig overlap in uitvoeringsdoelstellingen hoeft te hebben met die in een andere gemeente. En toch zijn de opvattingen tussen gemeentelijk en privaat niet nader tot elkaar gekomen.

Op dit moment is een gehoorde kritiek dat de kwaliteitseisen onvoldoende zijn om de uitvoering te waarborgen op voldoende professioneel niveau. Dit is een terechte kritiek. Schuldbemiddeling is complex (geworden) en vereist niet slechts onderhandelingsvaardigheden, maar ook juridisch en economisch onderlegde kennis van zaken die verder gaat dan kennis van paritas creditorum of kennis van het feit dat voorrang voortvloeit uit pand, hypotheek en voorecht en uit de andere in de wet aangegeven gronden en niet uit praktische preferenties. De opleidingskritiek is echter een kritiek die het hele veld van de schuldhulpverlening raakt en niet uniek verbonden is met private partijen. De kritiek geldt ook gemeentelijke schuldhulpverlening. Voor het al dan niet ondersteunen van deze Amvb is de beperkte kwaliteitseis dan ook onvoldoende onderscheidend tussen gemeentelijk en privaat. Het is in ieder geval geen reden om níet voor de Amvb te zijn.

Om tegen deze Amvb te zijn zijn wel betere redenen te bedenken. De toelichting bagatelliseert het risico van no-cure-no-pay, een waarschijnlijk met graagte overgenomen zienswijze van critici op het openstellen van schuldbemiddeling tegen betaling. Helaas is in het concept vrijstellingsbesluit achterwege de definitie van 'no-cure' achterwege gebleven. Dat roept vragen op. Is bijvoorbeeld een afgewezen gedwongen medewerking op grond van art. 287a Fw een ‘no-cure’? Zo nee, hoe kan de wetgever verwachten dat dit zeer belangrijke instrument openstaat voor iedere schuldenaar als een belangrijke groep van schuldbemiddelaars die daar uitvoering aan moet geven het risico loopt geen vergoeding voor haar, zeer intensieve, werkzaamheden te krijgen? Is een toeleiding naar de Wsnp een ‘no-cure’? Ook hier geldt dat indien dat een 'no-cure' is dat gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van de Wsnp. De Wsnp is een reguliere wettelijke voorziening die moet openstaan voor iedereen die te maken krijgt met schuldenproblematiek. Toeleiding moet niet haperen als gevolg van onduidelijkheid over ‘no-cure’.

Helaas ontbreekt in de toelichting op het concept de uitleg bij artikel 4 negende lid. De redactie van het artikel suggereert namelijk dat indien wél een met redenen omklede verklaring ex art. 285 lid 1 sub f Fw wordt afgegeven er niet hoeft te worden doorverwezen naar de gemeente. De wetgever gaat er dan kennelijk van uit dat er dan (dus) geen sprake is van ‘no-cure’. (de toelichting laat overigen abusievelijk de melding achterwege dat dit het eerste lid van artikel 285 Fw betreft). Naar analogie geredeneerd met voorgaande zou ook voor de gedwongen medewerking geen sprake zijn van ‘no-cure’, en dus wel van een activiteit waar tegenover betaling van de werkzaamheden staat. Het perspectief voor de private partijen op vergoeding van hun werkzaamheden zou daarmee binnen gezonde(ere) voorwaarden komen te liggen.

Concluderend
De Amvb geeft geen aanleiding te veronderstellen dat haar een zelfde lot beschoren zal zijn als het Tijdelijk Vrijstellingsbesluit schuldbemiddeling uit 1998. De tegenwerpingen op haar ontwerp en de door sommigen geconstateerde noodzakelijke waakzaamheid rondom deze Amvb betreffen vooral de waakzaamheid die het héle domein, van gemeentelijk tot privaat, op de kwaliteit en opleiding van schuldbemiddeling dient te betrachten. Dat staat echter los van deze Amvb.
Deze Ambv is een belangrijke stap vooruit voor verbetering van de kwaliteit van schuldbemiddeling als geheel . Deze Amvb brengt schuldenproblematiek misschien nog niet op het niveau waar het op hoort maar heeft wel een evidente meerwaarde voor het stellen van een uitvoeringsnorm. Het is geen boude stelling dat veel gemeenten nog niet in staat zijn aan te tonen (laat staan garanderen) dat zij zullen (kunnen) voldoen aan het uitvoeringsniveau dat nu aan de private partijen zal worden gesteld. Het is in ieder geval geen reden daarom die belangrijke stap die deze Amvb doet maar niet te zetten. Iedere verbetering van kwaliteit is tenslotte ten bate van de schuldenaar.

Last modified on dinsdag 05 augustus 2014 02:10
More in this category: Bent U bonafide ? »

Leave a comment