Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

vrijdag 20 juni 2014 11:18

Moet een crediteur als belanghebbende gehoord worden op een schuldsaneringsverzoek ?

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(1 Stem)

Rechtbank Rotterdam 19 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2545

In deze ongewone zaak werd een verzoek van een crediteur afgewezen tot het bijwonen van de behandeling van een schuldsaneringsverzoek. De Rechtbank Rotterdam overwoog dat de belangen van de schuldenaar zich verzetten tegen een openbare behandeling, en dat de keuze van de wetgever bewust is gedaan voor een beperkte positie van de crediteur bij de behandeling van een Wsnp-verzoek. De belangen van de crediteur zijn bijvoorbeeld verdisconteerd in de weigeringsgronden van art. 288 Fw, aldus de Rechtbank die de parlementaire geschiedenis citeert. De rechter mag bovendien volgens de Hoge Raad acht slaan op door de crediteur ingediende brieven of stukken. Het misschien wel belangrijkste argument – de waarborg in de persoon van de bewindvoerder – blijft onbenoemd.

 

Wat waren de feiten?

Verzoeker heeft op 13 januari 2014 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Fw ingediend, waarin gevraagd wordt om een voorlopige voorziening, alsmede een verzoekschrift ex artikel 284 lid 1 Fw met bijlagen tot toepassing van de schuldsanering. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 maart 2014. Ter zitting van 5 maart 2014 zijn in het kader van de voorlopige voorziening verschenen en gehoord: de verzoeker en diens advocaat; de verweerster en diens gemachtigde.
In het kader van de behandeling van het verzoekschrift tot schuldsanering heeft de gemachtigde van verweerster tijdens de daaraan voorafgaande behandeling van de voorlopige voorziening met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verzocht de behandeling van het schuldsaneringsverzoek te mogen bijwonen, alsmede alsdan te worden gehoord. Verweerster heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zij heeft gesteld dat zij vreest dat verzoeker tijdens de behandeling van zijn schuldsaneringsverzoek onjuist, dan wel onvolledig zal verklaren ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden en ten aanzien van het al dan niet ontbreken van de goede trouw hierbij. Aangezien een eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling van verzoeker enorme negatieve financiële gevolgen zal hebben voor verweerster (zij zal immers een groot deel van haar vordering op verzoeker van ruim € 445.000,- moeten afschrijven), is het voor haar van het grootste belang dat zij aanwezig kan zijn bij die behandeling kan worden gehoord.
Verzoeker heeft zich tegen het verzoek verzet en hiertoe onder meer aangevoerd dat in het systeem van de wet uitdrukkelijk voor de huidige praktijk is gekozen waarbij schuldeisers niet worden toegelaten bij de behandeling van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Hoe luidde de beslissing ?

De procedure tot toepassing van de schuldsanering valt (net als de procedure tot faillietverklaring) onder het bereik van artikel 6 EVRM, dat uitgaat van een openbare behandeling. Met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 1981, NJ 1982, 450 dient echter te worden aangenomen dat de belangen van de schuldenaar (in casu verzoeker) zich in het algemeen ertegen zullen verzetten dat de behandeling in het openbaar plaats vindt. Behandeling achter gesloten deuren is daarbij vooral ingegeven door de behoefte aan privacy en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de schuldenaar. Dit geldt in het bijzonder bij de behandeling van een schuldsaneringsverzoek. Door de verzoeker moet daarbij openheid gegeven worden over veel persoonlijke gegevens. De aanwezigheid van een schuldeiser, met wie een conflict bestaat dat al tot een aantal procedures heeft geleid, kan hieraan in de weg staan en aldus belemmeren dat het verzoek op de juiste wijze wordt behandeld.

De wetgever heeft er voor gekozen de positie van een schuldeiser bij de behandeling van een schuldsaneringsverzoek uitermate beperkt te houden. De wet voorziet dan ook niet in het horen van een schuldeiser. De wetgever heeft echter wel de belangen van de schuldeisers in de weigeringsgronden van artikel 288 Fw verdisconteerd (vgl. MvT, Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 36 e.v.). Daar komt nog bij dat de rechtbank bij een beslissing op een schuldsaneringsverzoek acht mag slaan op een brief of andere stukken die door of namens een schuldeiser zijn ingediend (vgl. HR 25 februari 2000, NJ 2000, 310).
De rechtbank begrijpt voorts dat verweerster bedoelt dat hiermee het beginsel van hoor en wederhoor wordt geschonden. Deze stelling faalt, gelet op het feit dat de rechtbank acht mag slaan op stukken van een schuldeiser, maar ook omdat verweerster zich tijdens de behandeling van de voorlopige voorziening uitgebreid heeft kunnen (en mogen) uitlaten over het schuldsaneringsverzoek. Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen.

Een principieel betoog.

Een principieel punt werd in deze zaak naar voren gebracht: heeft een schuldeiser bij een schuldsaneringsverzoek van zijn schuldenaar aanspraak erop om te worden gehoord door de Rechtbank ? Een toelating tot de schuldsanering heeft enorme negatieve financiële gevolgen voor deze schuldeiser in het bijzonder, die (uiteraard mits de schuldsaneringsregeling tot een goed einde zal worden gebracht) een groot deel van haar vordering op verzoeker van ruim € 445.000,- zal moeten afschrijven. Dat is een aanzienlijk financieel belang en daarom lijkt het voor de hand te liggen dat men als belanghebbende aanwezig mag zijn bij de behandeling van het schuldsaneringsverzoek en dat men dan ook kan worden gehoord. De wet voorziet in die mogelijkheid bij het toelatingsverzoek schuldsanering uitdrukkelijk niet, aldus de Rechtbank. Dat de positie van een schuldeiser bij de behandeling van een schuldsaneringsverzoek uitermate beperkt is, en dat schuldeisers niet gehoord worden, noemt prof. Wessels “niet onbedenkelijk”, al is het wel zo dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in de Faillissementswet dat nu eenmaal met zich mee brengt, dat de belangen van de schuldeisers zijn verdisconteerd in de weigeringsgronden van artikel 288 Fw en dat op andere plaatsen in de wet wel rekening is gehouden met de belangen van de schuldeisers, zoals bij de schuldsaneringsverplichtingen waaraan de debiteur zich heeft te houden (Wessels Insolventierecht IX 2e druk 2009, nrs. 9045a en 9066o). De wettelijke controlerende taak en de persoon van de bewindvoerder ligt in dit verband zeker ook voor de hand: misschien is dat zelfs nog wel het sterkste argument voor een voldoende waarborg voor crediteuren.

Het mag, maar hoeft niet van de Hoge Raad

Het is geen alledaags vonnis, maar ook weer niet uniek. Een eerder soortgelijk geval was door de Hoge Raad berecht kort na de invoering van de Wsnp (NJ 2000, 310) waarbij duidelijk werd dat de rechter wel acht mag slaan op stukken die door een belanghebbende bij het schuldsaneringsverzoek zijn ingediend, maar dat er geen aanspraak bestaat op horen, en dat de rechter dus niet verplicht is om de belanghebbende te horen. Bij het aan het standaard-Wsnp-verzoek (eventueel) voorafgaande bijzondere verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw bestaat er evenmin een wettelijke voorziening voor een hoorplicht, maar worden in de praktijk wel belanghebbenden opgeroepen om te worden gehoord, omdat bij dat verzoek duidelijker een belangenafweging aan de orde is, en omdat daar geen tegenwicht bestaat in de vorm van strenge weigeringsgronden en strikte verplichtingen voor de debiteur. Het recht op hoger beroep correspondeert hier trouwens mee: artikel 292 lid 2 Fw ontzegt de schuldeiser het recht van hoger beroep (verzet of cassatie) tegen een toelatingsvonnis, terwijl artikel 287 lid 4 Fw (bij een voor de schuldenaar gunstige beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening) wel hoger beroep toekent aan de schuldeiser, dit ingevolge de daar genoemde bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Vrees voor onzorgvuldige besluitvorming

De schuldeiser in deze zaak voerde aan dat hij aanleiding had om te veronderstellen dat de rechter niet goed zou worden voorgelicht bij de Wsnp-aanvraag. De ene verzoeker is op dit punt inderdaad de andere niet, zo leert de praktijk. Maar de enkele vrees dat de schuldenaar tijdens de behandeling van zijn schuldsaneringsverzoek onjuist of onvolledig zal verklaren over het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden en over zijn goede trouw is onvoldoende reden om door de rechter vooraf op het verzoekschrift te worden gehoord. En zoals de Rechtbank terecht opmerkt: het wettelijk stelsel belet volgens de Hoge Raad niet dat de schuldeiser bepaalde informatie van tevoren opstuurt naar de Rechtbank, opdat daarmee rekening gehouden kan worden bij de beoordeling van het verzoek. Daarnaast geldt dat op latere momenten in de procedure (zoals vooral de tussentijdse beëindiging op initiatief van een schuldeiser) alsnog een bepaalde inbreng kan worden geleverd om de andere kant van de zaak te belichten. Als dat tot een tussentijds einde leidt dan is de schuldenaar zijn in beginsel eenmalige kans op een schone lei kwijt. Dit is een serieuze dreiging waardoor een schuldenaar van tevoren een zeer goede afweging zal moeten maken of hij de rechter bepaalde informatie wil onthouden of niet: de schuldeiser zal immers niet schromen om die ontbrekende informatie alsnog in de procedure te brengen, hetzij zelf hetzij via de bewindvoerder. En dan zijn de rapen gaar.

Last modified on donderdag 26 juni 2014 09:19

Leave a comment