Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

dinsdag 20 mei 2014 08:13

Gewijzigde schuldsaneringswet geevalueerd

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)


Hoe werkt de Wsnp anno 2014 ? De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in een recente brief aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal de balans opgemaakt ten aanzien van de maatregelen die per 1 januari 2008 zijn ingevoerd met de wijziging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Dit was door de vorige Minister van Justitie Hirsch Ballin aan het parlement toegezegd, en op basis van alle voorhanden zijnde jaarlijkse monitoronderzoeken kon die analyse nu ook worden gegeven. Hierbij speelt natuurlijk ook een rol dat het effect van de wetswijziging per 1 januari 2008 – gegeven de gemiddelde looptijd van een schuldsaneringszaak – pas vanaf 2012 echt goed in beeld kon worden gebracht. Dit totaalbeeld uit de monitorreeks is volgens de bewindsman dat de Wsnp goed op koers ligt.

 

Hij licht deze conclusie nader toe in zijn recente brief aan de Eerste Kamer van 24 april 2014, te raadplegen als kamerstuk (officiële vindplaats) EK 2013-2014, 29942, G, p. 3 – 11. Welke deelonderwerpen springen daarbij in het oog ?
Het toelatingsbeleid is door de wetswijziging in feite niet aanmerkelijk strenger geworden, ook al is de bewijslast ten aanzien van de goede trouw op de verzoeker komen te liggen. Het lijkt erop dat een sterkere invloed op het toelatingsbeleid (c.q. het afwijzingspercentage) wordt uitgeoefend door hetgeen zich afspeelt in het minnelijke schuldhulptraject. Daarnaast is het zo dat de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw veel heeft verzacht in de meer kritische selectie die de wetgever met de striktere toelatingscriteria beoogde. Dat strookt overigens met de wil van de wetgever, want die hardheidsclausule werd door de Kamer uitdrukkelijk gewenst tijdens de plenaire behandeling van de wetswijziging. De Staatssecretaris schrijft dat deze bepaling in een duidelijke behoefte blijkt te voorzien, en dat dat blijkt uit de ondersteunende rol die het sinds 1 januari 2014 gewijzigde beschermingsbewind kan spelen bij een schuldsaneringsverzoek. De schuldenaar dient dan objectief aan te tonen dat de oorzaak van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden sinds enige tijd onder controle is, en een beschermingsbewind helpt daarbij. In een dergelijke gestabiliseerde situatie heeft een schuldsanering veel meer zin omdat er minder risico bestaat op een tussentijdse beëindiging wegens het niet nakomen van een of meer schuldsaneringsverplichtingen, waarmee de schuldenaar tegen de achtergrond van de tienjaarstermijn nog (veel) verder van huis is.
De Staatssecretaris besteedt de nodige aandacht aan de drie nieuwe rechtsmiddelen: het dwangakkoord (artikel 287a Fw), het minnelijke moratorium (artikel 287b Fw) en de voorlopige voorziening (artikel 287 lid 4 Fw). Hij omschrijft dit deel van de wetswijziging (op p. 6 van het kamerstuk) als een drietal innovatieve instrumenten die de eerstelijnsvoorziening van de schuldhulp hebben versterkt. Vooral het dwangakkoord heeft een belangrijke verandering teweeggebracht in de schuldhulppraktijk, want het verzoekschrift blijkt vaak te worden ingetrokken vlak voor de zitting, hetgeen duidt op de destijds beoogde preventieve functie in de richting van onredelijk weigerende schuldeisers. De Staatssecretaris benadrukt dat hij dit “innovatieve trio” verder heeft willen versterken door de inzet van de Wsnp-bewindvoerders via het stelsel van de Wet op de Rechtsbijstand. Bewindvoerders zijn immers vertrouwd met schuldsaneringsprocedures, zo meldt de bewindsman, en ook met de omgang met rechtbanken, en zij zijn derhalve goed geëquipeerd om dergelijke spoedprocedures aan te pakken.
De brief aan de Eerste Kamer bevat nog veel meer beschouwingen en conclusies, zoals ten aanzien van het percentage schone lei, de toegankelijkheid van de rechter en de aansluiting van het minnelijke op het wettelijke traject. Met name bij dit laatste punt ziet de Staatssecretaris nog wel ruimte voor verbetering. En op p. 10 van de brief lezen we nog een baanbrekend nieuwtje: de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie geeft prioriteit aan de voorbereiding van wetgeving die nodig is om het brede minnelijke moratorium uit artikel 8 van de Wet op de gemeentelijke schuldhulp mogelijk te maken. Dit is mogelijk geworden omdat de onderhandelingen over de financiering van dit nieuwe rechtsmiddel zijn afgerond tussen hem en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die verantwoordelijk is voor de Wet op de gemeentelijke schuldhulp. Er worden immers meer rechtszaken op dit punt verwacht.

Last modified on dinsdag 20 mei 2014 12:49

Leave a comment