Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

vrijdag 11 april 2014 11:23

Het pro forma beroep: een procedurele cliffhanger

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(0 stemmen)

Onderaan het vonnis kan men lezen dat de verzoeker bij een teleurstellende uitkomst de zaak nog eens kan voorleggen aan een hogere rechter. In de schuldsanering gaat dat meestal om een weigering toelating Wsnp of om een tussentijdse beëindiging. Er staat dan: Tegen de uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van de uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoek- of beroepschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen. (Art. 351 jo 361 Fw). Het is dus zaak om voortvarend in actie te komen. Maar hoe gaat dat in zijn werk ?

 

Soms verkeren advocaten nog in de veronderstelling dat men binnen die acht dagen slechts een pro forma beroepschrift hoeft in te dienen, dat wil zeggen dat men uitsluitend de beroepstermijn veilig hoeft te stellen met een schriftelijk stuk waarin men aankondigt op een later moment voor de zitting de gronden van het hoger beroep aan te zullen vullen. Wij maken bezwaar, er is onrecht gedaan, en u hoort later nog wel waarom ! De praktijk leert dat die gronden waarop het beroepschrift moet berusten vaak pas (zeer) kort voor de zitting in hoger beroep door de griffie worden ontvangen.

Nu zijn cliffhangers in het algemeen best spannend, maar toch is dit een onwenselijke manier van procederen. Ook al gaat het niet altijd om een wederpartij die zich behoorlijk moet kunnen verweren tegen bepaalde standpunten. In ieder geval wil het Hof zelf in de gelegenheid zijn om zich goed voor te bereiden. Als op een ochtend acht zaken achtereen geagendeerd staan waarbij de beroepsgronden daags van tevoren worden ontvangen dan kan dat ten koste van die voorbereiding gaan. Als het om een afgewezen omzettingsverzoek gaat vanuit een faillissementssituatie is er trouwens wel een belanghebbende: een curator die zich voldoende moet kunnen voorbereiden op een dergelijk laat binnengekomen stuk. En net zo goed is het lastig voor een bewindvoerder die zich voorbereiden wil op een zitting bij het Hof, als het gaat om een pro forma hoger beroep tegen een tussentijds beëindigingsvonnis.

Waar het om gaat is dat er binnen acht dagen na het vonnis globaal beargumenteerd wordt waarom men het vonnis van de Rechtbank graag vernietigd ziet. Er moet dus wel iets op hoofdlijnen in het beroepschrift staan. Als er helemaal geen gronden in staan (maar uitsluitend een standaardformule) dan kan van aanvulling van beroepsgronden op een later moment dus ook geen sprake zijn volgens een arrest van Hof Leeuwarden 9 maart 2011, LJN BV 8274. Iedere advocaat moet in staat worden geacht aan de hand van het vonnis waarvan men beroep wenst in te stellen bepaalde beroepsgronden te formuleren, die natuurlijk desgewenst later kunnen worden aangevuld of nader worden toegelicht. Uitsluitend de beroepstermijn veilig stellen met een algemene bezweringsformule is uit den boze. Het pro forma indienen van een beroepschrift met uitstel van beargumentering is daarmee een nogal riskante wijze van procederen die door een Gerechtshof kan worden afgestraft met een niet-ontvankelijkverklaring.

Wat zegt de wet hierover ? Ingevolge de artikelen 278 lid 1 en 359 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het hoger beroep berust. Op deze wettelijke eis kan slechts een uitzondering worden gemaakt indien in het beroepschrift een voorbehoud is gemaakt tot aanvulling van de gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk, zoals bijvoorbeeld het proces-verbaal van een beëindigingszitting, of uiteraard indien het bestreden vonnis zelf nog niet beschikbaar is. Een dergelijke aanvulling van gronden dient dan wel alsnog te geschieden binnen acht dagen nadat het beletsel om de bezwaren te formuleren niet meer bestaat.

Last modified on dinsdag 06 mei 2014 07:09

Leave a comment