Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

zaterdag 25 januari 2014 14:35

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsanering mede door consumptieve overbesteding

Geschreven door  G. Lankhorst
Rate this item
(4 stemmen)

Al vele jaren verzorgt Geert Lankhorst de rubriek "Rechtspraak" in het Tijdschrift voor Schuldsanering. De heer Lankhorst wordt dan ook algemeen beschouwd als een van de meest frequente en ingelezen annotatoren binnen de Wsnp. Naast het feit dat de annotaties inmiddels zeer talrijk zijn, namelijk meer dan 400(!), zijn de annotaties ook nog eens zeer leesbaar. Om die reden verzochten wij Geert Lankhorst de onderstaande annotatie van zijn hand van een uitspraak van de Rechtbank Overijssel te mogen plaatsen. De casus beschrijft een gezin met schuldenproblematiek waarin de ontstaanswijze van schulden en omgang met toeslagen een vaak waargenomen situatie 'uit het leven gegrepen' weergeeft. De uitspraak geeft, gemotiveerd, weer hoe de rechtbank Overijssel tegen de casus aankijkt. Dat is niet per se hoe de gemiddelde schuldhulpverlener daartegenaan kijkt, of misschien ook juist wel? De annotatie sluit af met een aantal praktische overwegingen voor de schuldhulpverlener die dossiers met gelijke historie van de schuldenproblematiek in zijn of haar praktijk tegenkomt.

 

Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 12 september 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2770

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsanering mede door consumptieve overbesteding. Rol van de modelverklaring ex artikel 285 Fw.

Artikelen: 285, 288 lid 1 aanhef en sub b Fw
Trefwoorden: goede trouw

Feiten en beslissing.

Verzoekers hebben een schuldsaneringsverzoek ingediend. De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 3 september 2013, waar beiden zijn verschenen. Verzoeker en verzoekster zijn een samenwonend stel en hebben twee kinderen van respectievelijk 4 en 6 jaar. Verzoeker ontvangt een Wajong-uitkering van € 922,85 per maand, exclusief vakantiegeld. Verzoekster ontvangt studiefinanciering van € 1.213,00 per maand. De totale schuldenlast van de man bedraagt volgens de modelverklaring schuldsanering € 8.051,49. Blijkens de brief van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van 6 januari 2013 heeft hij tevens een schuld aan het DUO van € 29.568,16. De totale schuldenlast van de vrouw bedraagt € 30.035,70, waaronder: Wehkamp BV, € 1.980,32 (februari 2009); H&M Netherlands, € 983,20 (maart 2011); H&M Netherlands, € 178,45 (juni 2011); Bol.com BV, € 75,97 (april 2012); Otto BV, € 377,72 (juni 2012); Neckermann.com bv, € 793,53 (februari 2012). De vrouw heeft nog een schuld aan de Belastingdienst van € 17.860,00 ter zake van kinderopvangtoeslag met betrekking tot de jaren 2009, 2010 en 2011.
Ter zitting hebben verzoekers over de schuld aan de Belastingdienst het volgende verklaard. Het inkomen van hem is sinds (eind) 2009 weggevallen, omdat hij zijn baan heeft verloren. Zij moesten toen alles betalen van haar studiefinanciering. De vrouw heeft toen nog geprobeerd om naast haar studie te gaan werken, maar ook toen kwamen zij elke maand geld tekort. Ter zitting heeft zij bevestigd dat de schuld aan de Belastingdienst is ontstaan, omdat zij de kinderopvangtoeslag door hebben laten lopen, terwijl hun oudste kind niet meer van opvang gebruik maakte omdat het kind al naar school ging. Zij hebben destijds de keuze gemaakt om de kinderopvangtoeslag aan te wenden voor de kosten van levensonderhoud. Verzoekster heeft geen bezwaar gemaakt tegen de reden van terugvordering, wel tegen de hoogte. Gesteld wordt dat zij na het wegvallen van het inkomen van de man geen aanvulling vanuit de bijstand of studiefinanciering kregen. De kinderopvangtoeslag van het oudste kind is rond januari 2012 stopgezet en van het jongste kind twee maanden geleden. Het jongste kind ging naar de opvang, omdat de man niet in staat was om het kind op te vangen. Verzoekster weet niet of zij recht heeft op kinderopvangtoeslag als de vader ook thuis is.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.
De schuld aan de Belastingdienst betreft een terugvordering van kinderopvangtoeslag met betrekking tot de jaren 2009, 2010 en 2011. Ter zitting heeft de vrouw bevestigd dat de schuld aan de Belastingdienst onder meer is ontstaan, omdat zij niet aan de Belastingdienst heeft doorgegeven dat hun oudste kind geen gebruik meer maakt van de opvang en zij de vergoeding voor de kinderopvang wel is blijven ontvangen. Dit betekent dat zij niet te goeder trouw is geweest ter zake de schuld aan de Belastingdienst. Het verweer van de vrouw dat zij door het wegvallen van het inkomen van de man de kinderopvangtoeslag heeft aangewend voor levensonderhoud, kan niet tot een ander oordeel leiden. Van haar mag worden verwacht dat zij elke wijziging met betrekking tot haar persoonlijke gezinssituatie, welke van invloed zou kunnen zijn op het recht op kinderopvangtoeslag doorgeeft aan de Belastingdienst. Bovendien behoorde zij te weten dat de ontvangen kinderopvangtoeslag diende te worden aangewend voor de kosten van kinderopvang en niet voor de kosten van levensonderhoud. De rechtbank acht de man evenmin te goeder trouw ten aanzien van de schuld aan de Belastingdienst. Hij heeft ook geprofiteerd van de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag met betrekking tot de jaren 2009, 2010 en 2011 omdat het aannemelijk is dat de teveel ontvangen gelden ten bate zijn gekomen van de gezamenlijke kosten van de huishouding. Dat de schuld op naam van de vrouw staat doet hier niet aan af. Nu de gelden gebruikt zijn voor de gezamenlijke kosten van de huishouding heeft de vrouw bij betaling immers een regresvordering op de man. Ditzelfde geldt voor de schulden uit overbesteding, zoals hierna is vermeld.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van consumptieve overbesteding. Gebleken is dat de vrouw bij een aantal (postorder)bedrijven een schuld is aangegaan, waarvan zij wist dan wel kon weten dat zij deze niet kon betalen omdat zij zich toen al in een benarde financiële positie bevond. Als gevolg hiervan is haar schuldenlast (nog) verder opgelopen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ook deze consumptieve schuld niet te goeder trouw is ontstaan. De rechtbank acht de man evenmin te goeder trouw ten aanzien van deze consumptieve schuld, omdat de consumptieve overbesteding ten bate is gekomen van de gezamenlijke huishouding en omdat dus ook de man hiervan heeft geprofiteerd, terwijl hij wist dat zij de betalingsverplichtingen hiervan niet konden nakomen. De overige schuldenlast behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen nadere bespreking. De verzoeken zullen worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de verzoeken desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.

Toelichting.

Het ene gat dichten met het andere gat
Een schuldenaar die een schuldenlast heeft die voor een aanzienlijk gedeelte is terug te voeren op overconsumptie, zal in beginsel (behoudens de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw) niet worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van de vereiste goede trouw. In het minnelijke traject bestaat deze toegangseis niet, en de schuldhulpverlening is dan ook de beste plaats om deze problemen het hoofd te bieden. Van relatief jonge schuldenaren met een beperkt arbeidsverleden mag ook een aflossingsplan worden verwacht en een vorm van budgetbeheer en een budgetteringscursus. Het ging hier bij de Rechtbank Overijssel om een samenwonend stel dat gedurende een aantal jaren een te hoog uitgavenpatroon had in verhouding tot de maandelijkse inkomsten. Gebleken was dat zij beiden schulden van consumptieve aard waren aangegaan, waarvan zij wisten dan wel konden weten dat zij deze niet zouden kunnen betalen omdat zij zich ten tijde van de leningen al in een benarde financiële positie bevonden. Zo wordt het ene gat met het andere gat gedicht, en als gevolg daarvan loopt de schuldenlast (nog) verder op, nog afgezien van rente en incassokosten. Vooral bij de vrouw staan nogal wat consumptieve schulden genoteerd. Wie schulden aangaat op een moment dat men behoort te beseffen dat men die schuld nooit tijdig en-of volledig zal kunnen terugbetalen, handelt niet te goeder trouw ten opzichte van zijn schuldeisers. Want men legt dat insolventierisico dan bij de andere partij als die geen reden heeft om te twijfelen aan de nakoming van de overeenkomst.

Een kansarm verzoekschrift
De verzoekers hadden ook ooit de keuze gemaakt om de ten onrechte genoten kinderopvangtoeslag drie jaren lang door te laten lopen en aan te wenden voor de kosten van levensonderhoud. Ook die min of meer bewuste keuze kan natuurlijk nooit als te goeder trouw worden aangemerkt. De toeslagkraan maar open laten staan is natuurlijk een verleidelijke want gemakkelijke optie. Maar dat geldt als fraude en wordt tegenwoordig met zware boetes bedreigd, en is dus in zoverre helemaal niet verleidelijk. Vele anderen zijn daarom zo verstandig om de toeslag tijdig te laten stopzetten en betalen een eventueel teveel genoten bedrag terug. In dat licht gaat het niet aan om dan bij een enkeling die nog meer andere schulden heeft een dergelijke schuld kwijt te schelden. Naar elkaar verwijzen helpt ook niet bij een gezamenlijke huishouding: de rechtbank acht de man en de vrouw allebei niet te goeder trouw omdat de overbesteding ten bate is gekomen van de gezamenlijke huishouding en omdat zij allebei hiervan hebben geprofiteerd, en allebei moeten hebben geweten dat zij de betalingsverplichtingen hiervan niet konden nakomen. Het Wsnp-verzoek was dus eigenlijk kansloos, en men moet hopen dat dit stel niet naar het Wsnp-loket “gestuurd” is om daar het geluk te beproeven. In het minnelijke schuldhulptraject is het hoe dan ook verstandig om geen valse verwachtingen te wekken bij schuldenaren ten aanzien van hun kansen op een wettelijke schuldsanering. Op zijn minst moet door de schuldhulpverlening het risico worden geschetst dat de rechter de aanvraag afwijst op grond van de goede trouw. Al blijft het natuurlijk de eigen verantwoordelijkheid van de verzoeker als die - ondanks het kansarme karakter van de zaak - toch zijn zaak aan de rechter wil voorleggen. De schuldhulpverlening kan niet op de stoel van de rechter gaan zitten en bijvoorbeeld de afgifte van de verklaring ex artikel 285 Fw weigeren op grond van de (professionele) inschatting dat de toegang tot de Wsnp hoogstwaarschijnlijk toch zal worden ontzegd. Artikel 285 lid 2 Fw bepaalt dat het verlenen van medewerking aan de afgifte van de modelverklaring een wettelijke plicht is voor de betrokken instanties.

Last modified on zaterdag 25 januari 2014 15:18

Leave a comment