Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

zondag 24 februari 2013 17:59

Rechten en plichten in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp)

Geschreven door  V.T.Raats
Rate this item
(0 stemmen)

Dit beknopte artikel is bedoeld als ‘praktische wegwijzer’ voor geïnteresseerden en mensen die beroepsmatig betrokken zijn bij de Wsnp. Ook handig voor 'de bewindvoerder die even kwijt is in welk artikel het ook al weer staat.' Het artikel geeft uitsluitend antwoord op de vraag wat gevolgen zijn van de het al dan niet nakomen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

 

Hoe komt een schuldenaar in aanmerking voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling?

Voldoende aannemelijk maken
De schuldenaar wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling indien de Rechtbank ter terechtzitting ingevolge  art. 289 lid 1 Fw heeft vastgesteld dat de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet zal kunnen voortgaan met betalen, hij ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift ingevolge art. 284 lid 1 Fw is ingediend te goeder trouw is geweest, hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en hij zich (tot het uiterste) zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te genereren (art. 288 lid 1 onder a, b en c Fw). De Rechtbank  toetst de mate waarin de schuldenaar ‘voldoende aannemelijk’ heeft gemaakt de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen  te zullen nakomen, aan de hand van de bevindingen, genoemd in de ‘Verklaring schuldsanering’ ingevolge art. 285 Fw. Onder meer de oorzaak van schulden en het verloop van het minnelijk traject worden alsdan in de beoordeling  meegewogen.

Wat wordt er van de schuldenaar verlangd tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling?

Vier kernverplichtingen
Eenmaal toegelaten tot de schuldsaneringsregeling zal de schuldenaar aannemelijk moeten maken dat hij zich ten tijde van de duur van de schuldsaneringsregeling  (in beginsel drie, doch ten hoogste vijf jaren ex. art. 349a Fw) aan de verplichtingen gaat houden. In de praktijk dient hij zich aan (vier) fundamentele verplichtingen te houden. Zo dient hij ingevolge art. 327 jo 105 Fw de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd inlichtingen te verschaffen, ingevolge art. 350 lid 3 onder d Fw geen nieuwe schulden te laten ontstaan, ingevolge art. 295 en 296 Fw voldoende af te dragen aan de boedel  en tot slot de inspanningplicht na te komen. Hoewel de invulling van laatstgenoemde verplichting niet nadrukkelijk in de wet staat beschreven, worden in de praktijk door de Rechtspraak de Recofa-richtlijnen als uitgangspunt genomen. In de lijn van art. 288 lid 1 onder c Fw wordt de facto toegezien op  het  leveren van inspanning door te gaan werken, dan wel aantoonbaar te solliciteren en wordt verwezen naar de huidige richtlijn 3.5 van ‘Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringen 2009,’ inhoudende gemiddeld vier maal per maand aantoonbaar schriftelijke solliciteren naar een voltijds bezoldigd dienstverband (voor tenminste 36 uur per week).

Schone lei:  betalen mag, maar de schuldenaar is er niet toe verplicht.

“Een streep door de rekening”
Middels nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, kan door de Rechtbank  schone lei worden verleend (art. 358 lid 1 Fw). Deze bepaling is van toepassing  zodra de Rechtbank op grond van art. 354 Fw ter terechtzitting heeft vastgesteld dat  geenszins van één of meer tekortkomingen als bedoeld in art. 350 lid 3 onder c, d, e  en/of  f Fw is gebleken.
Het rechtsgevolg van de toekenning van de schone lei behelst omzetting van (overblijvende ) vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt (art. 299 en 299a FW) in een natuurlijke verbintenis ingevolge art. 6:3 BW. Met andere woorden; de in de schuldsaneringsregeling ter verificatie ingediende vorderingen zijn niet langer afdwingbaar.


Wat zijn de gevolgen van het niet nakomen van de verplichtingen?

Verhoor als laatste redmiddel
Indien de bewindvoerder in de openbare rapportage aan de rechter-commissaris  ingevolge art. 318 lid 1 Fw heeft moeten vaststellen dat één of meer uit de schuldsaneringsregling voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende worden nagekomen, dan kan dat voor hem reden zijn de rechter-commissaris te verzoeken over te gaan tot het arrangeren van een verhoor ingevolge art. 105 Fw.
Het verhoor heeft als doel nadere afspraken te maken, teneinde de gebleken tekortkomingen alsnog te ‘herstellen.’

Verwijtbaar gedrag
Echter , indien de gebleken tekort zodanig ernstig zijn of verwijtbaar, kan op voordracht van de rechter-commissaris of de bewindvoerder (art. 350 lid 1 Fw), door de Rechtbank een inhoudelijke behandeling  ter terechtzitting worden bevolen. Alsdan zal worden bezien in hoeverre vast is komen te staan dat één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet worden nagekomen. De gedragingen van de schuldenaar vormen dan een duidelijke aanwijzing dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.  Nadrukkelijk dient vast komen te staan dat ten aanzien van de gedragingen, de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt (HR 12 juni2009, LJN BI045, NJ 2009, 270).

Desnoods met hulp van
Zelfs ingeval van ‘onmacht’ (als gevolg van psychische beperkingen of problemen) kan van de schuldenaar worden verlangd dat hij interventie van derden (bijvoorbeeld; beschermingsbewindvoerder, maatschappelijk werker, budgetbeheerder) inroept om te bevorderen dat hij met ondersteuning in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen (HR 20 oktober 2006, LJN AY8310, NJ 2006, 572). Ook ontheffing van de sollicitatieplicht krachtens art. 9 lid 2 WWB (ontheffing van sollicitatieplicht door de Sociale Dienst) doet daar in beginsel niet aan af (als uitzondering op de regel ontheft Rechtbank Rotterdam  sindskort de schuldenaar van de sollicitatieplicht, op grond van een actuele beschikking van de Sociale Dienst op uitsluitend medische gronden).

Faillissement van rechtswege
In geval van gebleken (verwijtbare) tekortkomingen zal de schuldsaneringsregeling tussentijds worden beëindigd. Alsdan is de beoordeling of aan het einde van de schuldsaneringsregeling een schone lei kan worden verleend, niet langer aan de orde.
Indien er ten tijde van de uitspraak, strekkende tot tussentijdse beëidiging ingevolge artikel 350 lid 3 onder c, d, e en f Fw baten beschikbaar zijn ter geheel of gedeeltelijke voldoening van de ter verificatie ingediende vorderingen, zal de schuldsaneringsregeling van rechtswege worden omgezet in faillissement (art. 350 lid 5 Fw).

Intrekking schone lei
Indien er sprake is van nalaten of verzwijgen door de schuldenaar, nadat hem een schone lei is verleend, kan deze ingevolge art. 358a fw worden ingetrokken.


Welke bijzondere bepalingen gelden er?

Spijtoptanten
Een schuldsaneringsregeling van een schuldenaar die achteraf liever niet tot de regeling had willen worden toegelaten, kan ingevolge art. 350 lid 3 onder g Fw tussentijds worden beëindigd. Deze spijtoptie heeft tevens tot gevolg dat de schuldenaar de eerstkomende tien jaar geen beroep meer kan doen op  de schuldsaneringsregeling. De wetgever poogt  middels laatstgenoemde bepaling, de schuldenaar te ontmoedigen in het nemen van het betreffende (ingrijpende) besluit,

Bij overlijden
Tot 1 januari 2008 waren de gevolgen van het overlijden van de schuldenaar niet wettelijk vastgelegd. Sindsdien heeft de wetgever ervoor gekozen hiervoor art. 358 lid 6 Fw als uitgangspunt te nemen.  Voorts dient  aansluiting te worden gezocht bij richtlijn 5.3 van de Recofa-richtlijnen. Alsdan wordt geen  postume schone lei verleend en wordt de schuldsaneringsregeling op de zelfde wijze afgewikkeld als bij een faillissement na overlijden van de gefailleerde. Na verkoop van het actief en gedeeltelijke verdeling aan de crediteuren, eindigt de schuldsaneringsregeling wegens het bindend worden van de slotuitdelingslijst.

In beroep tegen een uitspraak of beslissing

Waarvan beroep
Tegen een uitspraak van de Rechtbank kan een rechtsmiddel worden ingesteld.
Ingevolge art. 351 lid 1 Fw kan binnen acht dagen in hoger beroep worden gegaan tegen het  vonnis strekkende tot tussentijdse beëindiging (al dan niet met van rechtswege omzetting in faillissement) en binnen acht dagen na het arrest van het Gerechtshof in cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden (art. 351 lid 5 Fw). Mutatis mutandis in geval van weigering of intrekking van de schone lei (resp. artt. 355 en 358a lid 4 Fw). Tegen alle beschikkingen van de rechter-commissaris staat ingevolge art. 315 Fw gedurende vijf dagen hoger beroep open.

Last modified on maandag 25 februari 2013 08:25
More in this category: Macht corrumpeert (Afgelast) »

Leave a comment