Contact | Routebeschrijving | Nieuwsbrieven

donderdag 29 november 2012 12:29

Schuldenbewind

Geschreven door  I.P. van Rossen
Rate this item
(0 stemmen)

 

In de Memorie van Toelichting bij het Voorstel van Wet in november 2011 omtrent “Wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen” (Ja, het staat er echt zo) refereert de regering aan de zogeheten “schuldenbewinden”. De regering beschrijft schuldenbewinden als “onderbewindstellingen van goederen van mensen die in een problematische schuldsituatie verkeren”. Daarnaast constateert de regering dat schuldenbewinden inmiddels een substantieel deel van het totaal aantal bewinden omvat en daarnaast ook het relatiefst snelst stijgende deel daarvan uitmaakt. Ten aanzien van rechthebbenden die te maken hebben met problematische schulden codificeert de wetswijziging voor een deel de bestaande praktijk voor rechthebbenden, voor een deel introduceert het ook een nieuwe waardering van rechthebbenden met problematische schulden.

Introductie
In de Memorie van Toelichting geeft de minister twee redenen aan voor de voorgestelde wetswijzigingen namelijk ten eerste het faillissement van Stichting BDG Kleingeld. Dit faillissement veroorzaakte in zowel de toeloop daar naar toe als in de uiteindelijke afwikkeling van het faillissement voor juist de kwetsbare groep in de samenleving een schade waarvan nu juist de bedoeling was dat die daar niet zou moeten (kunnen) komen. Daarnaast was de totstandkoming van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in december 2006 aanleiding voor de wetsaanpassing. Doelstelling van dit Verdrag is het bevorderen, beschermen en verzekeren van alle grondrechten en fundamentele vrijheden van mensen met een beperking gericht op volledige en effectieve participatie (art. 3 VN-verdrag)

Schuldenbewinden
Uitgangspunt bij curatele, beschermingsbewind en mentorschap is dat de toegepaste maatregel passend is en niet verder gaat dan noodzakelijk. Hierdoor verdwijnt “verkwisting” als grondslag voor curatele en komt daarvoor in de plaats de grondslag “verkwisting” en “het hebben van problematische schulden” voor toepassing van beschermingsbewind. De toegepaste maatregel blijft daarmee beperkt tot het domein waar de oorzaak zich bevindt, namelijk de financiën en het vermogen. Schuldenbewinden zullen dus, na de wetswijziging, als type bewind nadrukkelijker naar voren komen.
Hiermee ontstaat, vanzelfsprekend, ook  de noodzaak om na te denken over de meest wenselijke uitvoeringspraktijk van beschermingsbewinden waarin schuldenproblematiek de hoofdrol speelt. Allereerst moet antwoord worden gegeven op de vraag wie dan precies uitvoering moet geven aan het saneren van de schulden (verondersteld dat sanering van de schulden het beoogde doel is van het beschermingsbewind). Het is niet onaannemelijk te veronderstellen dat veel beschermingsbewindvoerders weinig of geringe ervaring hebben met het saneren van schulden. Het ligt voor de hand in een dergelijk geval de weg te bewandelen die reguliere burgers daarin ook bewandelen namelijk aanmelding bij de gemeente waarin de rechthebbende woonachtig is. Zeker wanneer bij een beschermingsbewindvoerder sprake is van meerdere schuldenbewinden die hij of zij in beheer heeft kan dit een zeer effectieve oplossing zijn, vooral als de bewindvoerder en de gemeente in staat zijn praktische afspraken met elkaar te maken ten aanzien van regie-voering,  verantwoordelijkheid voor de uitvoering, aanpak van ondersteunende instrumenten en dergelijke. Als een dergelijke afstemming echter niet mogelijk is, of als discussie ontstaat over wie uiteindelijke verantwoordelijke is voor het vermogen van de rechthebbende (inclusief de schulden!) danwel dat de rechthebbende om redenen van toelatingscriteria die een gemeente hanteert niet toegelaten wordt tot de schuldhulpverlening, dan is er evidente noodzaak dat de beschermingsbewindvoerder zelfstandig uitvoering geeft aan het saneren van de schulden.
Daarin speelt vanzelfsprekend, en de Memorie van Toelichting refereert daar ook uitdrukkelijk aan, de beslissing op welke wijze de kosten die de beschermingsbewindvoerder hiertoe moet maken, voldaan zullen gaan worden. De minister heeft in ieder geval aangekondigd in de Memorie van Toelichting (onder “Onderdeel G”, derde alinea) dat hij het geboden acht dat enerzijds éénduidige en anderzijds bíndende regels zullen worden gesteld voor de beloning. Hiervoor is het tevens van belang, zoals de minister in "onderdeel K" bij de taak van de bewindvoerder bespreekt dat de bewindvoerder weet wat hij mág doen en wat hij móet doen. De minister gaat er vanuit dat de omvang van de zorgplicht van de bewindvoerder per vermogenssituatie, i.e. wel of geen schulden, wel of geen vermogen, kan variëren. De beloning van de bewindvoerder zal de voorgenomen beloningsregeling  daaraan koppelen. De minister stelt wel, in "onderdeel P" van de Memorie, dat de bewindvoerder niet verplicht is om een betalingsregeling met schuldeisers te treffen! Zijn voornaamste taak, in geval van een schuldenbewind, is namelijk het stabiliseren van de financiële situatie.
Overigens is in de Memorie van Toelichting nog een kleine moderniteit onbesproken gebleven. Het is zeer wel aannemelijk en verdedigbaar dat de “schulden-bewindvoerder”, als verantwoordelijke voor het beheer van het vermogen van de rechthebbende, op geleide van juist die verantwoordelijkheid, door de kantonrechter in staat wordt gesteld (en dat vermoedelijk ook zal zoeken) om zelfstandig een, op het belang van de rechthebbende geënte schuldsaneerder te vinden. Inmiddels is duidelijk dat niet alleen de gemeenten schuldhulpverlening zullen uitvoeren maar dat ook, voortvloeiend uit de in voorbereiding zijnde AmvB “Vrijstellingsbesluit schuldbemiddeling” (zie ook “Schuldbemiddeling tegen betaling”) private partijen dit zullen gaan uitvoeren.

Verdere ontwikkelingen
Bij de keuze van de wijze van uitvoering van schuldenbewinden staat het (vermogensrechtelijk) belang van de rechthebbende voorop. Kwaliteit zal daarnaast eveneens een van de belangrijkste pijlers moeten zijn. Het ligt voor de hand dat kwaliteit gebaat is bij eenduidige, transparante en zoveel mogelijk administratief geïntegreerde inrichting van de uitvoering. Het is duidelijk dat dit het meest effectief en efficiënt bereikt wordt, zeker vanuit het standpunt van de bewindvoerder, via een door hem zelf uitgevoerd minnelijk traject, natuurlijk vermits hij of zij daarvoor aantoonbaar gekwalificeerd is. Opknippen van het beschermingsbewind in diverse deel-uitvoeringen voor wat betreft gemeentelijke schuldsaneringen en/of WSNP-trajecten heeft vanzelfsprekend daarin niet de voorkeur en zou een te vermijden vorm moeten zijn. Dat de kosten van een dergelijk minnelijk traject dan door de bewindvoerder gedeclareerd moeten kunnen worden lijkt ook een logische aanname. Immers, deze kosten zal de gemeente ook moeten maken als de beschermingsbewindvoerder het niet zelf uitvoert en hij de rechthebbende rechtstreeks naar de gemeente stuurt. Voor zowel de rechthebbende, de beschermingsbewindvoerder als de toezichthoudende kantonrechter dreigt in een dergelijk geval anders een stuk regie uit handen te moeten worden gegeven die juist in beschermingsbewind zo broodnodig is om de kwaliteit te waarborgen. Slechts wanneer een bewindvoerder goede, duidelijke en transparante afspraken kan maken met een gemeente is dat risico gepareerd, ook jegens de kantonrechter.

Tot slot
Uitvoering van schuldenbewinden zou bij voorkeur in één hand moeten liggen; wie kan daar tegen zijn? De minister lijkt in de voorgenomen beloningsvoorstellen dat dan ook mede in overweging te nemen. Het zal zowel voor de rechthebbende als voor de toezicht houdende rechters in schuldbewinden de duidelijkheid vergroten en altijd een actueel inzicht geven in het verloop van de uitvoering van de sanering. Echter, wanneer er duidelijke aansluiting en communicatie is tussen schuldhulpverlenende gemeenten en beschermingsbewindvoerders zal een zelfde resultaat ook bereikt moeten kunnen worden. Aangescherpte eisen ten aanzien van administratieve inrichting en toezicht (o.a. resulterend in intensievere verantwoordingsplichten voor de bewindvoerder) maken voor zowel de kantonrechter als de bewindvoerder de kwaliteit van de communicatie met de gemeente-schuldhulpverlener als voorwaarde binnen de uitvoeringspraktijk een conditio sine qua non. Ongewenste afwijzingscriteria of criteria die misschien voor de gemeente(-raad) binnen de doelstellingen van haar beleid wel verdedigbaar zijn maar voor de individuele rechthebbende tot afwijzing of zelfs uitsluiting leiden mogen dan vanzelfsprekend niet aan de hand zijn. Doorverwijzing naar het gemeente-loket moet ook geen obligaat onderdeel worden van schuldenbewinden dat doorlopen (moet) word(t)(en) voordat de kantonrechter zijn zegen geeft over uitvoering van de schuldsanering door de beschermingsbewindvoerder zelf. De tijd en kosten die daarmee gemoeid zijn baten niemand.
Belangrijk echter blijft dat te alle tijde bij aanvang van het schuldenbewind de juiste diagnose gesteld wordt ten aanzien van de rechthebbende. Is het een schuldenaar die bewind nodig heeft of is het een bewind waarin (toevallig) schulden zitten? De aanpak kan dan namelijk nogal verschillen evenals de vaststelling bij wie de regie moet liggen voor de uitvoering!

Last modified on zondag 23 november 2014 12:39

Leave a comment